1061

Soemer (3500 - 2900 v. Chr.)

± 3500 v. Chr., maar mogelijk ook eerder, vestigen een volk uit Midden-Azië, zich in Soemer, de zuidelijke laagvlakte van Mesopotamië. 

Zij zouden hun land later Soemer noemen: het 'Land van de Wakers/Oppassers'. De Egyptenaren noemden het aardse huis van hun goden 'Ta Neter', 'Land van de Wakers'. De bewoners van dit land werden bekend als de Soemeriërs.

 

In het vierde millennium voor Chr. werd Soemer naast Elam de toonaangevende cultuur in Zuid-Mesopotamië. Dit gebied was arm aan bodemschatten, maar rijk aan koren.

Joh. van Buttlar (1991/1992)  heeft een fantastische hypothese omtrent de herkomst van de Soemeriërs en van de gehele mensheid.

Aan het eind van het 4e mill. v. Chr. vond er een grote culturele opbloei plaats, o.a. dankzij verbeteringen in de landbouw (gebruik van de ploeg en aanleg van irrigatiesystemen). Het schrift, de ploeg, het wiel en de metallurgie deden hun intrede.

Er werden nieuwe materialen geïmporteerd, de architectuur ontwikkelde zich en men bekwaamde zich nog meer in de metallurgie (koper en later brons), waardoor de techniek van het zegelsnijden op een hoger plan werd gebracht. De opkomst van de tempel met zijn ingewikkelde geschreven documenten leidde tot een versterking van het bestuur. Dankzij de verbeteringen in de landbouw groeide de bevolking, wat weer leidde tot meer vraag naar consumptiegoederen. Hieraan kon alleen door de handel worden voldaan.

De nederzettingen met bakstenen huizen groeiden snel uit tot dorpen en steden en ontwikkelen zich tot stadsstaten

Overal in de nederzettingen werden trapvormige heiligdommen en tempels (zigurrats) gebouwd, gewijd aan de lokale goden die de bewoners tegen overstroming beschermden en zorgden voor een goede oogst. Zij bestonden uit een kleine rechthoekige gebouwen van baksteen, ± 4,50 m. lang met daarin een eenvoudig altaar en een offertafel. Ter ere van de goden werden lofzangen gezongen en heilige rituelen uitgevoerd.  Er ontstond een drukke ruilhandel met het Syrisch-Palestijnse gebied in hout, koper en steen. 

Ook op het gebied van de architectuur worden opmerkelijke vorderingen gemaakt. Er verschenen nieuwe architectonische vormen, zoals de losstaande lemen zuil die de daken ondersteunt en de halflosstaande zuil die men gebruikte om de muren te versieren en te verstevigen. 
Architecten experimenteerden met andere materialen. Zij maakten hun lemen stenen kleiner en handzamer en introduceerden natuursteen als bouwmateriaal. Om de muren en zuilen te verfraaien en te verstevigen, vonden zij gebakken kleistiften. De koppen werden versierd met witte, zwarte en rode verf, wat een interessant geometrisch patroon opleverde. Soms ook werden de koppen voorzien van koper. uit die in de kleimuur worden gedreven. Een ander type decoratie dat in deze periode verscheen was de muurschildering. Het geheel vrijstaande beeldhouwwerk werd vertegenwoordigd door beeldjes van mensen en dieren, het reliëfbeeldhouwwerk meestal door vazen. Het ging hier om votiefgeschenken of voorwerpen die tot de inventaris van de tempel hadden behoord. Bijna altijd werd kalksteen of albast gebruikt, die beide gemakkelijk bewerkt konden worden. 

Door de enorme economische opbloei groeide een aantal daarvan binnen een tiental jaren uit tot steden van enige omvang. Een aantal van deze steden, zoals Ur, Uruk, Lagash, Nippur en Eridu, groeide uit tot stadsstaten

Uruk (Erech), één van de grotere steden van Soemer.   Mekiagsher, koning van Soemer (2815-2791) wordt gezien als de stichter van Uruk, maar mogelijk werd deze stad al in de Obeid-periode (5000 - 3750 v. Chr.) bewoond. De stad was omgeven door een 9,7 km. lange, ruitvormige muur van gebakken tichels en strekte zich uit over een gebied van meer dan 5 km². Het centrum bestond uit drie heuvels. Boven op de oostelijke heuvel lag het Eanna-tempelterrein, het religieuze centrum van de stad. De stad bestond uit twee delen, gescheiden door een vaarwater. Dit water is later verloren gegaan waarschijnlijk toen Gilgamesj de stadsmuur van Uruk liet bouwen.

Stond de wieg van de mensheid in Sumer? Is alles daar begonnen? Dankzij Akkadisch-Soemerische woordenboeken waren de geleerden in staat het Soemerisch te ontraadselen. Toen de soemeroloog Samuel N. Kramer een inventarisatie van het letterkundig erfgoed van de Soemeriërs opmaakte, viel hij van de ene verbazing in de andere.

De Soemeriërs hadden de eerste scholen en universiteiten, het eerste uit twee kamers bestaande parlement, de eerste historicus, de eerste farmaceut, de eerste 'boerenkalender' (almanak), de eerste kosmogonie, de eerste spreekwoorden en gezegden, de eerste liefdesgeschiedenis, de eerste literaire disputen, de eerste bibliotheekcatalogus, de eerste wetten en maatschappelijke hervormingen, de eerste geneeskunde, de eerste chirurgie, de eerste landbouwkunde, en het eerste haken van de mens naar de wereldvrede, eendracht en de droom van de mensheid: onsterfelijkheid.

Innovaties als getuigenis van een bloeiende cultuur, of liever gezegd: van de moeder van alle culturen. Van een cultuur die 'uit het niets' opdook, want niemand weet precies waar de Soemeriërs vandaan kwamen. Opeens waren ze er. Tegen 3800 v.C. vestigden ze zich in het Tweestromenland tussen Eufraat en Tigris ongeveer waar nu Irak ligt. Door een spitsvondig ontworpen stelsel van kanalen tussen de rivieren irrigeerden ze de woestijngebieden, en maakten ze die vruchtbaar. Ze bedreven scheepvaart en hadden niet alleen boten voor vervoer over de kanalen, maar ook zeewaardige schepen waarmee de hele Indische oceaan werd bevaren.

De Soemeriërs kenden alleen al 105 begrippen voor verschillende scheepstypen, wat toch wel van een zeer ontwikkelde zeevaarderscultuur getuigt. Voorts waren zij meesters in landbouw en architectuur. Ze vonden de emailleeroven uit en richtten van gebakken stenen geweldige muren, huizen, gebouwen en steden op. 

De Soemerische stad Nippur bezat alles wat van een stad een grote stad, een metropool maakt: scholen en bibliotheken, een centraal ziekenhuis, openbare badinrichtingen, verzorgde winkelstraten en bierhuizen. In het centrum verhief zich de zigurrat, een zeven etages tellende tempeltoren, welke zowel tempel als observatorium van priesters en astronomen was. 

De jaartelling, de eerste kalender, stamt uit Nippur en wordt door de archeologen gedateerd in het begin van het vierde millennium v.C. Aannemelijk is dat het 'begin van de telling der jaren' in de joodse kalender - het jaar 3761 v.C. - teruggaat op het jaar '0' van de kalender van Nippur.

Nimrod wordt in het Oude Testament (Genesis 10:8-12) genoemd als stichter van verschillende Soemerische steden. Hij wordt "een geweldig jager voor de Heer" ("de grote Babylonische jager"), genoemd, wat zou kunnen worden uitgelegd als "een tiranniek heerser over zijn volk". De toevoeging "voor de Heer" zou erop wijzen dat het geen beesten waren waar hij op jaagde, maar mensen. Na zijn jacht op hen, zou hij hen tot zijn slaven hebben gemaakt en over hen hebben geheerst als een tiran. En dit alles als tegenstander van de Heer. Maar er is nog een andere uitleg: Nimrod zou een luipaard hebben getemd, om hem te vergezellen op de jacht. Het Babylonische woord "nimr" betekent "luipaard" en "rod" betekent "onderwerpen". Nimrod zou omstreeks 3500 v. Chr. geleefd en aldus de Bijbel in het begin alleen hebben geheerst over de  stadsstaten Babel, Akkad en Erech (=Uruk) in het land Shinar. Nimrod was volgens de Bijbel een afstammeling van Noach, diens zoon Cham en de zesde zoon van Cush. De naam Nimrod komt mogelijk van het Hebreeuwse woord "nimrodt" dat vertaald kan worden als "Laat ons in opstand komen". In Mesopotamië is zijn naam in een aantal plaatsnamen bewaard gebleven, zoals in Birs Nimrud = Borsippa). 

De Nimrod uit het Oude Testament zou echter heel goed overeen kunnen komen met koning Etana, van Kish (2844 tot 2816), die zeven Soemerische steden veroverde en het grote eerste rijk stichtte sinds de grote overstroming ("zondvloed"). Nimrod / Etana veroverde het gebied aan de bovenloop van de Tigris (Assur, Calah (Kalkhu), Calneh (Calno), Sumer en Ubaid) en stichtte de steden Nin'eveh (Niniveh), Reho'both-Ir, Calah en Resen (Khalsu). Nin-neveh betekent "de woonplaats van Ninus" (Ninus = Nimrod). 

Volgens Claus Fetz Krogh was Nimrod dezelfde man als Sargon l (2334-2279), de koning van de Akkadiërs, die in of omstreeks 2334 de stad Umma veroverde en de Soemerische koning Lagal Zaggesi (Lugalzaggisi) (2363-2335) van de troon stootte, alle steden in Soemer en Akkad veroverde en in korte tijd heerser werd over het eerste grote rijk uit de geschiedenis. Zijn heerschappij strekte zich ca. 2350 v. Chr. uit over het hele gebied tussen de Zwarte Zee en Klein-Azië tot aan de Perzische Golf. Cush was niet zijn vader, maar het land Cush, het land van de Kassieten, waar hij (Nimrod / Sargon) vandaan kwam. Krogh lokaliseert dit land op het zuiden van het Arabische schiereiland, het tegenwoordige land Jemen. Deze Kassieten zouden een halve eeuw later het land van de twee rivieren (Mesopotamië) zijn binnengetrokken. 

Hij gaf opdracht voor de bouw van een aantal grote bouwwerken, waaronder de beroemde Toren van Babel bij de tempel van Mardoek. Deze beroemde trapvormige tempeltoren (zigurrat) was, zoals wij uit uitvoerige beschrijvingen op teruggevonden spijkerschrifttabletten weten, 91 meter hoog, met als basis 1600 m². Vele Babylonische koningen na Nimrod hebben eraan gebouwd en herhaaldelijk lezen wij in hun inscripties dat de top tot aan de hemel zou reiken. 

Zuid-Mesopotamië (2900 - 2800 v. Chr.)

laatst bijgewerkt: 05-08-08

colofon