|
2262 |
Hoerrieten (Hurri) en Kassieten ca. 2300 - 1200 v. Chr.) |
De Hoerrieten (ook wel gespeld als Hurrieten) of Horit, Horim of Hurri (ook wel Khurrieten waren een niet-Semitisch en niet Indo-europees volk dat nauw verwant was aan de Soemeriërs en namen zij gaandeweg de Mitanni-cultuur en taal, die van Indo-Germaanse afkomst waren, over. Omstreeks 2500 jaar voor onze jaartelling bewoonde
dit volk in Oost-Anatolië (Kaukasusgebied), Noord-Mesopotamië en
Kanaän. Tussen 2500 - 1800 v.
Chr. werden zij uit Oost-Anatolië verdreven door Indo-europese
nomadenstammen,
waaronder het volk dat later bekend zou worden onder de naam Hittieten,
uit de Europees-Aziatische
vlakten van Zuid-Rusland. |
![]() |
|
De Hoerrieten vestigden zich in betrekkelijk kleine, afgelegen gebieden in Noord-Syrië en
Boven-Mesopotamië,
in het noordwestelijk
deel van het Zagrosgebergte. De aanwezigheid van de Amorieten
in de vruchtbare vlakte van Mesopotamië verhinderde dat zij in groten
getale uit de berggebieden verhuisden.
Aan de Hoerrieten verwant waren de Urarteëers in Oost-Anatolië en de Kassieten die zich vestigden in het Zagrosgebergte ten zuiden van het huidige Hamadan in Iran. Zij waren daarmee de zuiderburen van de Guti. Een aantal auteurs denken dat niet de meerderheid der Hoerrieten Indo-Europeanen waren, maar dat zij zich door een Indo-Europese kaste van strijders en koningen lieten leiden. W.F. Saggs (The Greatness that was Babylon, Praeger, New York, 1968) leidt dit onder meer af uit het feit dat de koningen van Mitanni geen Hoerrietische maar Indo-Europese namen droegen en dat bovendien de oude Indiase goden werden vereerd. Volgens archeoloog O.R. Gurney (he Hittites, Penguin, 1952) zou de herkomst van deze halfnomaden Noord-Iran zijn. Waar de Hoerrieten precies vandaan kwamen is nog steeds een mysterie. Volgens sommige bronnen werden zij te oordelen naar hun namen en die van hun goden door een Indo-Arische kaste (kshattriya), die verantwoordelijk was voor het handhaven van rechtvaardigheid en sociale harmonie, de kaste waartoe de mensen behoren die het land regeren en een hoge militaire positie bekleden. Hij meldt dat ze zich sinds ca. 2300 v. Chr. geleidelijk naar het zuiden en het westen verspreidden vanuit hun hoofdplaats in de bergstreek ten zuiden van de Kaspische zee (Kaukasus). Uiteindelijk bezetten ze een wijde boog vruchtbaar akkerland die zich uitstrekte van het dal van de Khabur tot de uitlopers van het Zagrosgebergte en stichtten zij gedurende het 2e millennium machtige koninkrijken in de nabijheid van de bovenloop van de Eufraat en de Habur.
Het eerste bekende Hoerritische koninkrijk ontstond aan het eind van het derde millennium v. Chr. rondom de stad Urkesh. Het einde van het Akkadische rijk (± 2230 v. Chr.) stelde de Hoerrieten in staat de controle over het gebied te verwerven. Deze streek was lange tijd het middelpunt geweest van rijke culturen (zie Tell Halaf en Tell Brak). Nu konden de Hoerrieten daarvan profiteren en hun eigen hoogontwikkelde stadstaat organiseren. De stadstaat Urkesh had echter nog een paar machtige buren. Ergens aan
het begin van het tweede millennium v. Chr. werd Urkesh een vazalstaat van het
zuidelijker gelegen Amoritische koninkrijk van Mari.
In de voortdurende machtsstrijd over Mesopotamië maakte een andere Amoritische
dynastie zich in de 18e eeuw v. Chr. meester van Mari:
In 1792 kreeg |
|
Na
de dood van |
![]() |
|
De stad Ugarit
viel in Hoerritische handen. In aller ijl vormden de Amorieten een leger en werden er
versterkte torens en forten gebouwd om tegen de Hoerritische horden weerstand te
bieden. Met op Hoerrieten buitgemaakte strijdwagens en gevangen genomen Hoerritische
soldaten stelden de Amorieten een strijdwageneenheid samen.
Tussen ± 1700 - ± 1650 v. Chr.hadden de Hittieten het
land Hatti of Chatti veroverd en daar een eigen staat gesticht.
Het Amoritisch-Hoerritische koninkrijk Yamhad
raakte omstreeks 1600 v. Chr. in strijd met de Hittitische koning
Na de val van Yamhad zetten de Hittieten hun
expansie naar het zuiden voort. Het leger van de Hittitische koning Mittanni Omstreeks
1650 ontstond in Noord-Mesopotamië een Hoerritische staat: Mitanni,
dat zich uitstrekte van Kirkuk (het antieke Arrapkha) en het Zagrosgebergte in
oosten, over Assyrië tot aan de Middellandse Zee in het westen. Het centrum lag
in het gebied langs de Khabur-rivier, waar waarschijnlijk ook de hoofdstad
Wassukkani heeft gelegen. De ondergang van het
Amoritische koninkrijk in 1595 v. Chr. en dat van
Yamhad droeg bij aan de opkomst van dit rijk. De eerste
heerser was een legendarische koning, genaamd Arrapha Vermoedelijk vormden de Hoerrieten de grootste etnische groep in het gebied, maar toch waren zij in de meeste delen slechts een minderheid onder de bevolking. Een Hoerrietische bevolkingsmeerderheid bestond enkel in de Khaburvallei (nu in Syrië, de rivier Khabur of Habur is een zijrivier van de Eufraat) en Arrapha. Zij hadden zeer nauw contact met de Luwiërs. Tegen het 1e millennium v. Chr. hadden de Hoerrieten zich overal met andere volkeren vermengd, behalve misschien in het koninkrijk van Urartu. De naam Hoerriten zou kunnen zijn afgeleid van het Iraanse woord hara dat 'berg' betekent. De naam Hoerrieten zou dan dus hebben betekend: een volk dat uit de bergen. In het Sanskriet betekent het woord hari 'gouden'. De naam Hoerrieten zou dan de betekenis hebben: "volk dat in het bezit is van goud'. De taal die de Hoerrieten spraken - het Hoerritisch, was niet verwant met de Semitische of Indo-Europese talen, maar met het Urartisch en mogelijk verre familie is van de hedendaagse Dagestaanse talen. Lees verder: Hurrieten - Wikipedia. |
|
Hoerritische cultuur De kennis over de Hoerritische cultuur berust op
archeologische opgravingen bij plaatsen zoals Nuzi en Alalakh en op
spijkerschrifttabletten, vooral die uit Hattusa (Boghazköy), de hoofdstad van
de Hittieten, want de Hoerrieten hadden veel invloed op de Hittitische
beschaving. Tabletten uit Nuzi, Alalakh en andere steden met een Hoerritische
bevolking (wat blijkt uit namen van personen) onthullen ook Hoerritische
culturele invloeden, zelfs al zijn ze in het Akkadisch geschreven. Hoerritische
rolzegels werden zorgvuldig uitgesneden en bevatten vaak mythologische motieven.
Ze vormen een sleutel tot het begrip van de Hoerritische cultuur en
geschiedenis. De Hoerrieten waren uitstekende pottenbakkers. Hun keramiek wordt overal in
Mesopotamië en in de landen ten westen van de Eufraat aangetroffen, in het
verre Egypte werd het tijdens het Nieuwe
Rijk zeer gewaardeerd. Archeologen gebruiken de termen Khabur ware en
Nuzi ware voor het op een pottenbakkerswiel gemaakte Hurritische
aardewerk. Het wordt gekenmerkt door rode, soms bruine of zwarte geschilderde
lijnen in een geometrisch patroon en met stippen. Foto
van een Khabur ware kruik De Hurrieten waren vermaard om hun metallurgie.
Het dal van de Khabur had een centrale rol in de metaalhandel. Koper, zilver en
tin was in de door de Hoerrieten overheerste landen Kizzuwatna en Ishuwa
iop het Anatolische hoogland te krijgen. Goud moest echter worden geïmporteerd
uit Egypte. Er zijn niet veel Hoerritische metalen voorwerpen bewaard gebleven,
behalve in het latere Urartu. Bij Urkesh zijn wat kleine fraaie
leeuwenfiguurtjes ontdekt. De Hoerrieten waren uitstekende fokkers van paarden.
Mogelijk hebben zij deze ca. 2000 v. Chr. vanuit Cetraal-Azië in het Nabije
Oosten geïntroduceerd. De naam van het land Ishuwa, dat waarschijnlijk
bewoond werd door een grote Hoerritische bevolkingsgroep, betekende 'paardenland'. Tusen
de in Ugarit gevonden Hoerritische teksten bevonden zich ook de oudste bekende
voorbeelden van bladmuziek, daterend uit ca. 1800 v. Chr. Op de webpagina
van Urkesh is een reconstructie van een hymne te horen.
|
|
Religie De Hoerrieten vereerden vele goden: Teshub (Teshup); de machtige weergod (Stormgod). Hepat (Hepa, Hebat); zijn vrouw, was de moedergodin. Zij werd door de Hettieten beschouwd als gelijk aan de zonnegodin Arinna. Andere goden waren Sharruma (Sarumma), de zoon van Teshup en Hera, Kumarbi; de oervader van alle goden. Shaushka, of Shawushka, Šauska; was de Hoerritische tegenhanger van de Assyrische god Ishtar, en een godin van de geneeskunst. Shimegi, Šimegi was de zonnegod en Kushuh, Kušuh; de maangod. Symbolen van de zon en de halve maan verschijnen naast elkaar in de Hurritische iconografie. Ook aanbaden de Hoerrieten de Babylonische god van de onderwereld Nergal. (vgl. de Griekse god Hades) De Hoerritische naam van deze god is onbekend. Hoerritische rolzegels beelden vaak mythologische schepsels af zoals gevleugelde mensen of dieren, draken en andere monsters. De interpretatie van deze afbeeldingen van goden en demonen is onzeker. Misschien waren het zowel beschermende als boosaardige wezens.Rechts: Teshub z. ook: De herkomst van de Etrusken |
|
|
De Hoerritische goden hadden waarschijnlijk geen eigen tempels zoals in de Mesopotamische en Egyptische godsdiensten. Belangrijke centra voor de eredienst waren Kummanni in Kizzuwatna en het Hittitische Yazilikaya. Harran was in elk geval later een religieus centrum voor de maangod en Shauskha had een belangrijke tempel in Ninive toen die stad door de Hoerrieten bestuurd werd. Er is een tempel voor Nergal gebouwd in Urkesh aan het eind van het derde millennium v. Chr. De stad Kahat was een religieus centrum in het koninkrijk Mitanni. Hattusilis l liet in zijn nieuwe hoofdstad Hattusas een tempel ter ere van de god Teshub en Hepat bouwen. Vanuit het Hoerritische religieuze centrum in Kummanni in Kizzuwatna verspreidde de Hoerritische godsdienst zich onder de Hittitische bevolking. De Oud-Hittitische en Hoerritische religies vermengden zich met elkaar. De Hoerritische religie verspreidde zich ook naar Syrië, waar Baäl de tegenhanger werd van Teshub. In het latere koninkrijk Urartu werden ook de Hoerritische goden vereerd. De Hoeritische religie besloeg in verschillende vormen het hele oude nabije oosten, behalve Egypte en het zuiden van Mesopotamië. Het einde van de Hoerrieten Tegen de 13e eeuw v. Chr. waren alle Hoerritische staten overwonnen door andere volken. Het hart van het land van de Hoerrieten, het dal van de Khabur, werd een Assyrische provincie. Het is niet duidelijk wat er aan het eind van de bronstijd met het Hoerritische volk gebeurd is. Volgens sommige onderzoeker woonden de Hoerrieten tijdens het begin van de ijzertijd in het land Subria ten noorden van Assyrië. De Hoerritische bevolking van Syrië schijnt in de volgende eeuwen haar taal te hebben ingeruild voor het Assyrische dialect van Akkadisch, of, waarschijnlijker, Aramees. In ongeveer dezelfde periode schijnt een Urartisch, een taal die lijkt op oud-Hoerritisch, sprekende aristocratie de toenmalige bevolking van de streek rond het Vanmeer te hebebn onderworpen, waarmee het koninkrijk Urartu ontstond. (bron: Hurrieten - Wikipedia) De Tsjetsjenen en Ingoesjeten zijn mogelijk uit de Hoerrieten voortgekomen, al is dit niet aangetoond uit archeologisch onderzoek. Toen Mitanni werd veroverd door de Hittieten in 1335 v. Chr., vluchtte een aantal stammen van de Hoerrieten naar de moeilijk begaanbare Kaukasus en vermengden zich daar met leden van de Kobancultuur. Hieruit zouden de Weinatsjen zijn ontstaan. Uit de vroeg-Weinatische tijd zijn afgodsbeelden en koerganen (grafheuvels uit de Koergancultuur) teruggevonden.
Laatst bijgewerkt: 13-05-06 |