|
511 |
Arctocyonidae |
|
De Arctocyoniden (Arctocyonidae) waren de eerste Condylarthen die zich ontwikkelden. De Familie Arctocyonidae bestaat uit drie Onderfamilies:
Soms worden enkele soorten (o.a. Kopidodon macrognathus) uit de Oxyclaeninae als een zelfstandige familie, de Paroxyclaenidae, binnen de Pantolesta geplaatst. Verondersteld wordt dat de Arctocyonidae evolueerden tot de Mesonychiden. De Oxyclaeninae leefden gedurende het Paleoceen en Vroeg-Eoceen op het noordelijk halfrond.Tot de Oxyclaeninae behoorden verschillende soorten die wat betreft uiterlijk en leefwijze meer overeenkwamen met de hedendaagse kleine beren hadden dan met de moderne hoefdieren. Fruit, noten, zaden en kleine dieren vormden het hoofdvoedsel. Sommige soorten waren aangepast aan het leven in de bomen, terwijl andere soorten zich ontwikkelden tot snel rennende bodembewoners. De overeenkomsten tussen enkele soorten van de subfamilie Oxyclaeninae en primitieve evenhoevigen als Diacodexis ondersteunen de hypothese dat de evenhoevigen uit deze groep van de condylarthen zijn ontstaan. Tot de Oxyclaeninae behoren vijf geslachten:
|
| De Protungulatum van is een van de oudst bekende soorten en dit diertje leefde gedurende het Laat-Krijt en Vroeg-Paleoceen in Noord-Amerika. Dit ratachtige dier was al in het bezit van tanden die al min of meer waren aangepast aan het eten van fruit en zachte bladeren. Insecten en andere kleine dieren vormden echter het hoofdvoedsel. Door het massale uitsterven van 65 miljoen jaar geleden kwamen verschillende niches vrij en de uit de Arctocyoniden ontwikkelden zich Condylarthen die aangepast waren aan een herbivoor bestaan. De Arctocyoniden bleven zelf nog enkele miljoenen jaren bestaan en behielden hun omnivore voedselpatroon. Wel namen ze in grootte toe en de Arctocyoniden waren daardoor in staat grotere prooidieren te vangen. Ze werden echter nooit gespecialiseerde roofdieren. |
![]() |
|
Van het geslacht Chriacus
zijn een groot aantal soorten bekend. Deze dieren konden goed rennen, wat blijkt uit
hun lichaamsbouw. De gevonden fossielen ondersteunen de hypothese dat de
dieren van dit geslacht de voorlopers waren van de Evenhoevigen, aangezien er
tussen hen en
de primitieve evenhoevige Diacodexis grote gelijkenis bestaat.
Chriacus was1 meter lang dier en leek uiterlijk en waarschijnlijk ook wat betreft leefwijze sterk op de hedendaagse kleine beren en civetkatten. Chriacus leefde tijdens het Paleoceen en Vroeg-Eoceen in de bossen van Europa en Noord-Amerika. Het is een van de best bekende condylarthen, mede door de vondsten van vrijwel complete skeletten in Wyoming. Chriacus was aangepast aan het leven in de bomen, in tegenstelling tot de hedendaagse hoefdieren, die aangepast zijn aan een leven op de grond. |
| De voetstructuur, de flexibele enkelgewrichten, de sterke poten met scherpe klauwen en een lange staart maakten van Chriacus een uitstekende klimmer, die in staat was om net als eekhoorns met de kop naar beneden uit bomen af te dalen. De voorpoten van Chriacus was bovendien aangepast om goed te graven. De lange, smalle snijtanden van Chriacus hadden microscopische groeven, die dit dier waarschijnlijk gebruikte om zijn vacht mee te verzorgen. De kiezen wijzen op een omnivoor dieet, bestaande uit vruchten, noten en kleine diertjes, waaronder insecten en kleinere zoogdieren. |
| De Arctocyoninae leefden
gedurende het Paleoceen op het noordelijk halfrond.
Tot de deze Onderfamilie behoorden verschillende soorten die het formaat van een wolf of beer hadden. Het waren primitieve zoogdieren, die weliswaar hoefdieren waren, maar die wat betreft uiterlijk en leefwijze meer overeenkwamen met de hedendaagse beren. Deze bodembewonende dieren waren zwaar gebouwd met korte poten, een lange staart en grote hoektanden. Fruit, noten, zaden en kleine dieren vormden het hoofdvoedsel. De bekendste geslachten die tot de Arctocyoninae behoorden zijn Arctocyon uit Europa en Claenodon uit Noord-Amerika. Rechts: Arctocyon
|
![]() |
| Gemaakt: 22-11-09; laatst bijgewerkt: 24-11-09 |