|
De groep wordt gekenmerkt door vijf paar uitsteeksels op de kop. De
eerste twee paar zijn antennes en de laatste drie paar vormen de
monddelen. De segmenten van het achterlijf hebben over het algemeen
nog twee paar ledematen behouden.
Kreefachtigen hebben een relatief hard uitwendig
pantser van chitine, dat bij kreeften en krabben veel kalk bevat. Als
gevolg daarvan is het pantser nauwelijks rekbaar en is vervelling
noodzakelijk om te kunnen groeien. Aan de kop, die soms met het borststuk
is vergroeid, zitten twee paar voelsprieten. Wat betreft de poten,
monddelen, kieuwstructuren en algemene anatomie is er een breed scala aan
allerlei mogelijke vormen bij de kreeftachtigen. Sommige groepen, zoals de
eendenmosselen en de zeepokken lijken eerder op een tweekleppige dan op
een kreeftachtige.
Een bijzonderheid bij de kreeftachtigen is dat het
aantal poten kan verschillen, in tegenstelling tot alle insecten (6 poten)
en spinnen (8 poten). Kreeftachtigen hebben tussen de 10 (5 paar) en de 14
(7 paar) poten, de soorten die tien poten hebben behoren tot de decapoda
of tien (deca) potigen (poda). Bij veel soorten kreeftachtigen, met name
de kleinere soorten, is het aantal poten moeilijk te zien omdat ze zijn
aangepast tot zwem-, grijp- of looppoten. Ook kunnen andere uitsteeksels
op poten lijken, zoals de monddelen of soms de kieuwen. Bij de miljoen- en
duizendpoten komen verschillende potenparen ook voor, maar deze krijgen er
iedere vervelling meer.
Ook de larvale stadia van kreeftachtigen wijken af van die van
bijvoorbeeld insecten of spinnen. De eerste larve (nauplius-larve)
van kreeftachtigen is vaak vrijzwemmend en zeer klein, en behoort bij veel
soorten de eerste tijd tot het zoöplankton.
Het larvestadium kent meestal meerdere fases, soms wel vier, waarbij de
larve steeds een andere gedaante krijgt, de meeste soorten hebben bizarre
uitsteeksels of sterk vergrote ogen en lijken in niets op dieren die het
larvale stadium hebben verlaten. Dit zijn echter nog geen geslachtsrijpe
exemplaren, deze zogenaamde post-larvale diertjes lijken al wel sterk op de
ouders maar moet nog enkele keren verschalen (vervellen) voordat het
volwassen is en zich kan voortplanten.
Kreeftachtigen leven hoofdzakelijk in zee, maar soorten uit diverse
groepen zijn ook in zoetwater of op land te vinden, Met name de heremietkreeften,
pissebedden
en vlokreeftjes
zijn bekende landbewonende soorten, veel krabben en kreeften houden het
wel enige tijd uit op het land maar overleven de droge lucht niet lang.
Alle kreeftachtigen ademen namelijk met kieuwen,
in tegenstelling tot bijvoorbeeld insecten met hun stelsel van tracheën.
Dit maakt alle soorten gevoelig voor uitdroging.
De meeste grotere kreeftachtigen zijn veelal aaseters, ze struinen de
bodem van de zee af op zoek naar dood of rottend materiaal. Ook zachtere
dieren als wormen worden vaak gegeten, evenals schelpdieren die met de
scharen gekraakt worden. De zware bepantsering en vaak grote scharen maakt
sommige soorten geduchte vijanden.
Kleinere kreeftachtigen, zoals garnalen, zeekomma's, vlokreeftjes
en aasgarnalen
leven over het algemeen van plankton, algen en
rottend materiaal, maar er zijn ook soorten die deels of geheel op kleine
prooien jagen.
Kreeftachtigen - Wikipedia
- Branchiopoda (bladpotigen)
- Remipedia
- Cephalocarida
- Maxillopoda (o.a. eendenmosselen, eenoogkreeftjes en karperluizen)
- Ostracoda (mosselkreeftjes)
- Malacostraca (o.a. kreeften, krabben, garnalen en zeekomma's)
Arthropoda (taxonomie) - Wikipedia
|