241

Labyrinthodontia of Stegocephalia

Amfibieën
Aan het begin van het Devoon, meer dan 400 miljoen jaar geleden ontwikkelden zich uit de Rhipidistia (suborde van de Kwastvinnige vissen), die zich hadden gewaagd op het land de oudste Tetrapoden (= vierpotige gewervelde dieren). Zij leefden in plassen die 's zomers vaak droogvielen. Misschien probeerden zij om zo van de ene plas naar de andere te komen. Hun nakomelingen leerden buiten water in leven te blijven en kregen longen om mee te ademen en poten om zich te verplaatsen. Zij leefden van de insecten die vaak in enorme zwermen bij het water te vinden waren. Zij moesten wel dicht in de buurt van water blijven om daarin hun eieren te kunnen leggen. Hieruit ontstonden aan het eind van het Devoon de Tetrapoden. In de 50-100 miljoen jaar daarna verspreidden de Amfibieën in vele soorten zich over de wereld.
De oudste Amfibieën, bekend uit het Laat-Devoon op Groenland, behoren tot de orde Ichthyostegalia, die tezamen met andere groepen viervoetige amfibieën tezamen zijn gebracht in de subklasse Labyrinthodontia of Stegocephalia.

 

Boven: De Hynerpeton bassetti is een van de oudst bekende amfibieën en leefde ca. 363 miljoen jaar geleden in Noord-Amerika (Pennsylvania). Het dier was ca. 1 meter lang en bezat sterke ledematen. Vooral de voorste poten waren sterk ontwikkeld en dienden mogelijk om de kop boven het wateroppervlak te kunnen brengen. Het dier bezat waarschijnlijk longen en geen kieuwen. Het kunnen verlaten van het water was waarschijnlijk een groot voordeel, gezien de aanwezigheid in het water van grote vissen en ongewervelde dieren die op dit dier jaagden.
Tot de Labyrinthodontia (Stegocephalia) behoorde ook de Acanthostega gunnari, een salamanderachtige diertje, dat als een van de eerste soorten vier poten had en kon leven op het land, maar uit de fossielen blijkt ook, dat het visachtige kieuwen had. 

Tot de Labyrinthopdontia behoorden de Lepospondyli, de voorouders van de latere salamanders (Urodela) en de Batracchiomorpha, een zeer diverse groep, waaruit zich weer later de kikkers en padden (Anura) ontwikkelden. Qua uiterlijk leken deze dieren echter het meest op de tegenwoordige krokodillen. Uit de Labyrinthodontia ontwikkelden zich de Anthracosauria, de voorouders van de latere Reptielen, Vogels en Zoogdieren (Amniota).

Tot de vroege Tetrapoden behoorden ook de Eogyrinus en de Diplovertebron. De eerste, op het plaatje zwemmend door de stroom, was een van de grootste destijds levende amfibieën. De tweede, zittend aan de oever, was een salamanderachtig dier.

laatst gewijzigd: 2-11-02

colofon