|
189 |
Inktvisachtigen
of Koppotigen (Cephalopoda) |
|
De groep Intvisachtigen behoren
tot de stam der Weekdieren
en ontstonden ca. 510 miljoen jaar geleden aan het begin van het Ordovicium.
Zij hebben een langgerekt lichaam, waaraan aan één kant een duidelijke kop met twee goed ontwikkelde ogen en een mond met daar omheen een krans van grijparmen of tentakels is te zien. |
![]() |
Van
alle ongewervelden zijn de Koppotigen de intelligentste, de snelste en de
grootste. Ze verschillen ook van andere ongewervelden doordat ze armen of
tentakels met zuignappen hebben. Daarmee vangen ze vissen en
kreeftachtigen. Er zijn momenteel 660 soorten bekend waarvan de meeste
voorkomen in open water, sommigen op of in de zeebodem. Alle koppotigen
leven in de zee. Dat
inktvissen intelligent zijn is onder andere te zien aan hunogen die
bijzonder goed details kunnen onderscheiden. Ze eten schelpdieren,
kreeftachtigen, vissen en andere inktvissen. Zelf worden ze gegeten
door Dolfijnen en de mens. Maar gelukkig hebben ze manieren gevonden
om zich te kunnen beschermen:
Inktvissen worden opgedeeld in 2 groepen:
|
Van de inktvisachtigen komen we twee groepen regelmatig tegen in het Maastrichts Krijt: de Ammonieten (afb. linksonder) en de Belemmieten. (afb. rechts) |
![]() |
| Ammonieten waren tienarmige inktvissen die leefden in de periode van het Devoon tot het einde van het Krijt. Zij kenden een wereldwijde verspreiding. De grootte varieerde van minder dan een centimeter tot meer dan 2,5 meter. Tijdens hun bestaan zijn ze enkele keren met uitsterven bedreigd, met name aan het eind van het Perm en aan het eind van het Trias. Maar telkens slaagde een kleine groep soorten erin te overleven en zich daarna weer stormachtig te ontwikkelen. | ![]() |
| De Ammonieten waren een snel
evoluerende groep die een grote verscheidenheid aan vormen ontwikkelde,
die vaak heel karakteristiek zijn voor een bepaalde, vrij korte periode. Hierdoor
en omdat zij als vrij zwemmende organismen zeer wijd verspreid voor
kwamen, zijn het uitstekende gidsfossielen. Ammonieten bewoonden meestal
een spiraalvormig opgerold huis. Zij ontlenen hu naam aan de Griekse god
Ammon, die werd uitgebeeld als een mens met een gehoornde kop van een ram
als hoofd. Plinius de Oudere (gestorven in 79 v. Chr. bij Pompeji) noemde
deze dieren ammonis cornua: hoorn van Ammon.
De Ammonieten behoorden tot het zogenaamde "nekton": de vrij grote, vrij zwemmende organismen die onafhankelijk van kust en bodem in open zee leefden. Qua levenswijze zijn ze vergelijkbaar met de nu nog in tropische zeeën voorkomende Nautilus. Beide groepen stierven uit toen de aarde 65 - 64 miljoen jaar geleden (aan het eind van het Krijt) getroffen werd door de natuurrampen waardoor de aarde toen werd getroffen. laatst bijgewerkt: 31-10-02 |