483

Xenarthra

Synapsida Therapsida Theriodontia Cynodontia Mammaliaformes Buideldieren (Metatheria) Placentadieren (Eutheria) Xenarthra

Klik hier voor het frame van de pagina

De Xenarthra behoren tot de oudste Placentadieren. De naam Xenarthra betekent letterlijk "vreemde gewrichten" en verwijst naar het feit dat al deze dieren extra benige gewrichten tussen de lendenwervels hebben. Deze gewrichten versterken de rug van het dier, waardoor de reusachtige Glyptodonten zulke enorme pantsers konden dragen, maar hun rug was daardoor wel minder buigzaam. 

Verder verschillen de Xenarthra van de andere placentadieren door onder andere een dubbele onderste holle ader in plaats van een enkele. De vrouwtjes hebben een primitieve gespleten baarmoeder, en de mannetjes inwendige testes en een kleine penis zonder eikel.  

Behaard Gordeldier Miereneter
Sommige van de meest indrukwekkende uitgestorven dieren behoren tot deze groep. Vandaag de dag zijn alleen de Miereneters (4 soorten), Boomluiaards (6 soorten) en Gordeldieren (21 soorten) nog over. Deze dieren komen nu alleen voor in Latijns-Amerika en het zuiden van Noord-Amerika. Ze verschillen sterk in afmeting (van een mol tot een flinke hond), lichaamsbouw en uiterlijk. Bij de Mierenters ontbreekt het gebit geheel, bij de twee andere is het gereduceerd en zijn de elementen wortelloos en zonder glazuur. Het voedsel bestaat uit planten en kleine ongewervelde dieren. De ledematen dragen sikkelvormige (graaf)klauwen, vooral de voorste zijn krachtig ontwikkeld. Miereneters, Gordeldieren en Luiaards komen alleen voor in de noordelijke helft van Zuid-Amerika.
Vroeger werden de Xenarthra samengevoegd met de Schubdieren en het Aardvarken in de orde der Tandarmen (Edentata), vanwege uiterlijke gelijkenissen tussen deze dieren. Deze gelijkenissen bleken echter het resultaat te zijn van convergente evolutie, waarbij de de drie diergroepen werden ingedeeld in verschillende ordes. Ook de Xenarthra werd als een orde beschouwd. Recentelijk is de status van Xenarthra veranderd van orde naar cohort of naar superorde. Het cohort beslaat nu twee ordes: Cingulata, de gordeldierachtigen, en Pilosa, de luiaarden, miereneters en verwanten. Soms wordt deze laatste orde nog in tweeën gesplitst: Phyllophaga of Folivora voor de luiaarden en Vermilingua voor de miereneters.  

De Xenarthra kwamen in het Krijt voor op het continent Gondwana dat in het Jura was afgedreven van het supercontininent Pangaea en het Krijt uiteenviel in de continenten Afrika, India, Australië, Antarctica en Zuid-Amerika. In Duitsland (groeven van Messel) is echter een fossiel van een miereneter uit het Eoceen gevonden en dus is deze groep dus niet altijd tot Zuid-Amerika beperkt geweest. 

Cohort (Superorde) Xenarthra
  • Orde Luiaarden en Miereneters (Pilosa)
    • Familie Entelopidae
    • Familie Miereneters (Myrmecophagidae)
    • Familie Dwergmiereneters (Cyclopedidae)
    • Familie Orophodontidae
    • Familie Scelidotheriidae
    • Familie Mylodontidae
    • Familie Drievingerige Luiaarden (Bradypodidae)
    • Familie Megatherioidea
    • Familie Tweevingerige Luiaarden (Megalonychidae)
  • Orde Gordeldierachtigen (Cingulata)
    • Familie Gordeldieren (Dasypodidae)
    • Familie Protobratidae
    • Familie Pampatheriidae
    • Familie Peltephilidae
    • Familie Paleopeltidae
    • Familie Glyptodontidae
      • Geslacht Doedicurus

Vanaf het Mioceen (23.3 - 5.2 miljoen jaar geleden) drukten Xenarthra hun stempel op de Amerikaanse fauna. Vergeleken met Afrika zijn er in Zuid-Amerika veel meer fossielen gevonden uit de tijd dat het werelddeel afgezonderd lag. 

Nauw verwant aan de luiaards was de Megatherium, een reusachtige grondluiaard van 6 meter lang.

 

Doedicurus was een soort reuzengordeldier dat behoorde tot de familie Glyptodontidae. Dit dier leefde in het Pleistoceen in Zuid-Amerika. Het geslacht Doedicurus omvat één soort, Doedicurus clavicaudatus.

Links: Doedicurus

Aan het einde van het Mioceen kwamen er Grondluiaarden voor in het zuiden van Noord-Amerika, die waarschijnlijk het continent wisten te bereiken via eilandjes. Drie miljoen jaar geleden ontstond er een landengte tussen Noord- en Zuid-Amerika, waardoor enkele soorten (voornamelijk grondluiaarden en gordeldieren) naar Noord-Amerika konden trekken. De grondluiaarden zijn uiteindelijk uitgestorven. Het enige lid van de superorde dat nog voorkomt in Noord-Amerika is het negenbandgordeldier (Dasypus novemcinctus). 

rechts: Negenbandgordeldier

De Glyptodonten en enkele Grondluiaarden wisten te overleven tot in het Holoceen, en spelen nu nog een belangrijke rol in legenden van de Indianen in Patagonië.  Tegenwoordig leven er nog zo'n 30 soorten in vier tot vijf families.
laatst bijgewerkt: 09-12-09

colofon