|
871 |
Cro-Magnon jagers (ca. 28.000 geleden ) |
|
Zo'n 28.000 jaar geleden tijdens het Laat-Paleolithicum (40.000 - 10.000 jaar geleden) verscheen de Moderne Mens in Zuid-Europa, waar toen de Neanderthalers leefden. Omdat de rotstekeningen die zijn gevonden in de Chauvet grot van oudere datum zijn (ca. 38.000 jaar geleden) zouden de Neanderthalers en niet de Cro-Magnon-jagers de makers ervan geweest zijn. Naar de eerste vindplaats van fossiele resten van deze mensensoort in Europa ( gevonden in 1868) bij Cro Magnon, dichtbij Les Eyzies in Frankrijk worden de Moderne Mensen vanaf nu ook wel Cro-Magnon-mensen genoemd. Vanaf die tijd zijn ook onmiskenbare kunstvoorwerpen bekend, die ondenkbaar zouden zijn zonder een modern abstractievermogen (grotschilderingen, dier- en mensfiguren).
De uit warmere streken afkomstige Homo Sapiens
Sapiens was langer en slanker gebouwd dan
de Neanderthalers. Hij had een ronde, grote
schedel, een hoog voorhoofd, klein, smal gezicht, geen wallen boven de
ogen en vooruitstekende kin. Hij liep goed rechtop en had lichte slanke
armen en benen. Toch waren er lang niet zulke grote culturele verschillen
tussen de Neanderthaler en de Moderne Mens als men aanvankelijk dacht.
|
![]() |
|
|
Ca. 30.000 jaar geleden leefden er ook Cro-Magnon-jagers binnen de Poolcirkel. In 2001 en 2002 werden tijdens twee expedities langs de oever van de Yana-rivier 383 bewerkte stenen gevonden, twee ivoren onderdelen van een speer, een benen priem, kleine stukjes rode oker en ongeveer 800 dierenbotten en botresten van onder mee van een mammoet, langharige neushoorn, bizon, rendier en paard. Alle grote botten vertoonden kras- of schraapsporen. De steenbewerking is geavanceerd, van een Laat-Paleolithisch type en dus vermoedelijk afkomstig van Homo Sapiens en niet van Neanderthalers, die in deze periode trouwens toch al bijna zijn uitgestorven. Dat mensen midden in
de laatste IJstijd zo hoog noordelijk konden overleven is opmerkelijk. De
datering op 30.000 jaar geleden valt overigens wel in een tijdelijk iets
warmer tijdvak, waarin dit Noord-Siberische gebied even niet met ijs
bedekt was, maar juist bestond uit een toendra waarin allerlei kuddes van
planteneters leefden. Die planteneters, waarvan de botten dan ook in ruime
mate werden aangetroffen bij de opgraving, vormden een aantrekkelijke prooi
voor mensen in de prehistorie. Later rukte het ijs
weer op, het hoogtepunt van de laatste IJstijd ligt ongeveer 20.000 jaar
geleden (maar 10.000 jaar geleden was het afgelopen). |
|
Een vreemd detail is dat het onderzoeksteam,
onder leiding van de Petersburger archeoloog Vladimir Pitulko, zijn
opzienbarende vondst in Science expliciet presenteert als de oudst bekende
prehistorische bewoning binnen de poolcirkel (die ligt op 66o30'NB). Terwijl
toch al ruim twee jaar geleden de Rus Pavel Pavlov met anderen in Nature (6
september 2001) de resultaten publiceerde van een opgraving in het noorden van
de Oeral, neĢt
binnen de poolcirkel (op 66o34' NB), die erop wezen dat mensen al veel eerder,
40.000 jaar geleden, zo hoog noordelijk konden leven. Pavlov vond een bekraste
mammoetslagtand (die met de C14-methode
gedateerd kon worden) en een zevental bewerkte stenen. De gebruikte
bewerkingstechniek (Mousterien)
is bekend van zowel Neanderthalers als moderne mensen. Speren
in het ijs - Prehistorische mens leefde binnen de Poolcirkel - Hendrik
Spiering; NRC Handelsblad, 3-1-04 |
| Tussen 25.000 - 16.000 jaar geleden toen het noorden van Europa gebukt ging onder bittere koude, bedienen de Cro-Magnonjagers zich van een hele reeks van gespecialiseerde vuurstenen werktuigen. Hieraan is te zien dat deze mensen hierin veel bekwamer waren dan de Neanderthaler jagers. | ![]() |
| De Cro-Magnon-mensen maakten gereedschappen in vele soorten van been of van takken.
De werktuigen van de Cro-Magnonmensen werden aan beide kanten bewerkt.
Sommige werden als mes of als beitel gebruikt bij het bewerken van hout
en been. Andere stenen werktuigen kregen een punt. Ze werden aan houten
takken bevestigd en als speer of harpoen gebruikt. Met deze wapens
werd op dieren gejaagd, maar er zijn ook bewijzen dat er gejaagd werd met
valkuilen en leren strikken.
De Cro-magnonjagers legden zich vooral toe op de jacht op rendieren, wilde paarden, bizons en beren. Het waren uitstekende jagers. Grote dieren vingen zij met behulp van valkuilen. Soms werden deze gevangen door ze een ravijn in te drijven. Voor de rest leefden de mammoetjagers niet veel anders dan hun voorouders. Zij leefden in hutten of tenten van dierenhuiden. Ook hun kleding was van dierenhuiden gemaakt. Ook hun aantal nam toe en de samenlevingsgroepen werden groter, tot honderden mensen die optrokken in meerdere, samenwerkende families. |
|
Zonder taalbeheersing waren deze gecoördineerde
activiteiten niet mogelijk, en sommige archeologen menen dan ook dat pas
in deze tijd een volwaardige menselijke taal is ontstaan. Dat zou zelfs
de enig mogelijke verklaring kunnen zijn van zovele veranderingen tegelijk.
Bij gebrek aan bewijzen blijft dit echter weinig meer dan een interessante
suggestie. Hun greep op het leven was zeker genoeg om ook naar Arctische
gebieden te kunnen trekken en daar te overleven. Ze vormden een veel dichtere
populatie dan vroeg in de menselijke historie mogelijk was. Ze gebruikten
niet alleen vuur zoals gewoonlijk, maar plaatselijke groepen maakten speciale
stookplaatsen, voor speciale doeleinden. Op een plaats in Centraal-Europa
werd een ovenachtig bouwsel opgegraven.
De grootste sprong voorwaarts die de Cro-Magnonjagers maakten was echter wel dat in deze cruciale ijstijdperiode, die duurde tot 10.000 jaar geleden, in Europa en elders voor het eerst "cultuur" ontstond in de huidige betekenis van het woord. Voor een ongeoefend oog lijken de stenen werktuigen en wapens (dierenhuidschrapers, messen, speerpunten, priemen, graveerstiften) die de mammoetjagers achterlieten nog even simpel als die uit de voorgaande honderdduizenden jaren. Maar de archeologen zien grote verschillen: veel meer variëteit en aandacht voor de vorm. |
| En belangrijker is dat al spoedig iets opduikt wat de huidige mens wèl onmiddellijk herkent als verwant: kunst, bijvoorbeeld een gestileerde paardenfiguur of een mens met leeuwenhoofd, uitgesneden in mammoetivoor, of gestileerde vrouwenfiguurtjes gesneden uit ivoor (zgn. Venushanger) of de adembenemende rotstekeningen van neushoorns, leeuwen, paarden en bisons en, minder spectaculair maar niet minder belangrijk, eindeloos veel kralen gemaakt van roofdiertanden. Kortom: de moderne mens verscheen op het toneel, krassend in rotsen en behangen met sieraden. Behalve grotschilderingen maakten de Cro-Magnon-jagers ook dier- en mensfiguurtjes van klei. | ![]() |
De ontwikkeling van het bewerken van
vuursteen en botten en van de kunstzinnige uitingen verliep in vijf fasen:
|
![]() |
De grot van Lascaux omvat circa 800 tekeningen van oerossen en andere dieren. Verschillende dieren werden levensgroot nagebootst. De rotsschilderingen dateren uit het midden- en laat-Magdalenien (15.000 - 13.000 v. Chr. |
| Verschillende vondsten wijzen erop dat de Cro-Magnonjagers geloofden in magische krachten of in goden, die hun wél of géén rijke jachtbuit gunden of die hen van honger konden laten omkomen. Met de grotschilderingen, versieringen en dier- en mensfiguurtjes probeerden zij waarschijnlijk magische krachten op te wekken in de hoop op een goede jachtbuit, de geboorte van veel jonge dieren en op gezonde kinderen. Ook uit de manier waarop de Cro-Magnon-jagers hun doden begroeven kunnen we afleiden dat zij geloofden in magie of goden. Hun doden begroeven zij met veel zorg en eerbied: zij werden op hun zij gelegd met hun benen gebogen alsof zij in een diepe slaap verkeren met het hoofd op een kussen van vuurstenen. Blijkbaar zagen deze jagers de dood dus als een diepe slaap. | ![]() |
![]() |
| Bij het begraven gebruikten zij gekleurde aarde (rode oker) en in het graf werden stenen gereedschappen en dierenbeenderen meegegeven, die de overledene moesten dienen bij zijn reis naar het hiernamaals. Hieruit kan men concluderen dat deze jagers geloofden in bovennatuurlijke krachten en in een voortbestaan na de dood. De jacht op holenberen moet voor deze mensen een bijzondere betekenis hebben gehad. De schedels van deze dieren werden zorgvuldig op elkaar gestapeld in een grote kuil in de grond. | ![]() |
![]() |
Zoals bij de meeste grote dieren
uit de ijstijd zullen de prehistorische mensen de beren liever geschilderd
dan bejaagd hebben. De Cro-Magnonmensen lijken de Holenbeer als een god te
hebben beschouwd (wat aanleiding was voor het boek "Tribe of the
Cavebear".) en zullen riten hebben uitgevoerd met de botten. Het is
vooralsnog onwaarschijnlijk dat de moderne mensen op Holenberen hebben
gejaagd, ze kunnen de botten ook gewoon in de grotten gevonden hebben. Het
uitsterven van de Holenbeer is net als bij de mammoet veroorzaakt door het
abrupt aflopen van de ijstijd.
laatst bijgewerkt: 20-07-04 |