|
2846 |
Caligula (37- 41 n. Chr.) |
![]() |
Caligula werd geboren op 31 augustus 12 na
Christus in Antium als zoon van de populaire Romeinse generaal |
|
Vanaf zijn jeugd was Caligula geestelijk labiel; als jongen leed hij aan epilepsie en zijn hele leven door werd hij gekweld door slapeloosheid, die hem soms urenlang door het paleis deed ronddolen. Als kind van vijf jaar vergezelde Caligula zijn ouders naar het Oosten. Na de dood van zijn vader aldaar (19) werd hij in Rome opgevoed door zijn moeder en vanaf 29, toen Agrippina verbannen werd, door Livia en zijn grootmoeder Antonia (minor). Waarschijnlijk was hij in hoge mate schizofreen. Hierop wijst zijn motorische onrust en zijn neiging tot uitersten: zijn persoonlijkheid wordt enerzijds gekenmerkt door weekheid, behoefte aan liefde en een mateloos zelfvertrouwen, anderzijds door zijn optreden als een god. In de loop der jaren distantieerde hij zich steeds meer van iedereen en voelde zich ook een god. Hij eiste dus goddelijke verering en ging tegen het mensdom te keer met een niets ontziende meedogenloosheid. |
![]() |
![]() |
In 31 riep
Abnormaal fel was het seksuele leven van Caligula. Reeds als jongen onderhield hij intieme relaties met allerlei vrouwen en zelfs met zijn eigen zusters. Zijn zus Drusilla wilde hij zelfs huwen, naar het voorbeeld der Ptolemaeën. Wettig gehuwd was hij viermaal: in 33 huwde hij Claudia, de dochter van Marcus Junius Silanus, maar deze stierf in 36 in het kraambed; in 38 nam hij Livia Orestilla, de echtgenote van Gaius Calpurnius Piso, tot vrouw, maar hij verstootte haar na korte tijd; in 39 huwde hij Lollia Paulina, de vrouw van Memmius Regulus, en joeg haar terstond weer weg; zijn laatste verbintenis was die met Milonia Caesonia (39), een reeds oudere vrouw die al drie dochters had, maar hem door haar vitaliteit en zinnelijkheid aan zich wist te binden. Tiberius had Gaius Julius Caesar Germanicus ("Caligula") en diens neef Tiberius Gemellus als erfgenamen aangewezen, maar de commandant van de praetorianen Macro hielp Caligula op de troon (18 maart 37). Groot was de vreugde waarmee het Romeinse volk de zoon van de verafgode Germanicus begroette na de laatste sombere jaren van Tiberius. Inderdaad was het begin van Caligula's regering hoopvol: hij hield onder tranen de lijkrede op Tiberius, adopteerde Tiberius Gemellus en benoemde hem tot princeps iuventutis, eerde zijn grootmoeder Antonia en seponeerde alle aanklachten. |
|
Daarnaast gaf hij echter ook spelen aan het volk die schatten verslonden, en leefde zo verkwistend dat de door Tiberius gevulde schatkist weldra leeg was. Spoedig kwam de keerzijde van zijn karakter aan het licht, wellicht mede als gevolg van een ernstige ziekte in het najaar van 37. Hij verguisde Tiberius en zelfs zijn eigen moeder, verhaastte door bruut optreden de dood van zijn grootmoeder Antonia, liet Gemellus vermoorden en begon, om aan geld te komen, majesteitsprocessen tegen leden van de hoge adel en de ridderstand. Hij trad op als god-keizer en verlangde als incarnatie van Jupiter een eigen tempel op de Palatijn voor Optimus Maximus Caesar; openlijk liet hij zich vereren als de verpersoonlijking van verschillende goden en zelfs godinnen. |
![]() |
Wie hem naderde moest een voetval maken en zich in het stof werpen. Van alle godenbeelden liet hij de hoofden vervangen door een afbeelding van de zijne. Bij de hofmaaltijden zaten zij als een eenzame majesteit aan een aparte tafel en het was de gasten streng verboden om maar één woord te zeggen. Onder hem heerste een waar schrikbewind. Wie hem niet voldoende eerbied bewees, werd te vuur en te zwaard vervolgd. |
| Caligula was ook bijzonder bloeddorstig. Bij een
gladiatorengevecht
was hij niet tevreden als het bloed in de arena niet rijkelijk vloeide.
Waren er geen misdadigers genoeg om voor de wilde dieren te werpen, dan
werden er wel een paar toeschouwers gegrepen. Bij het volk was Caligula
echter heel geliefd, want geen andere keizer organiseerde zoveel spelen
en andere vermaken als hij.
Zijn verjaardagen werden spectaculair gevierd met paardenraces en gladiatorengevechten, waarbij als klap op de vuurpijl honderden beren en andere wilde dieren uit Libië werden afgeslacht. Soms - als het echt feestelijk moest worden - werden er ook nog wat mensen tussen de dieren losgelaten. |
![]() |
![]() |
In de tweede helft van het jaar 39 trok Caligula
als een tweede Alexander naar het noorden met het XV-de en XXll-ste legioen naar de Rijn, volgens
de officiële lezing omdat een orakel hem had aanbevolen zijn Bataafse
lijfwacht aan te vullen, maar vermoed wordt dat er andere redenen waren: het
uitroeien van een groep samenzweerders en het uitschudden van provincialen
om de staatskas een wat vrolijker aanzien te geven. In ieder geval voerde
Caligula in dat jaar met zijn legioenen een kort aanvalletje op Germanië
uit. Het werd een schertsvertoning met in scène gezette
aanvallen over de Rijn die door de keizer triomfantelijk werden afgeslagen.
De schrijver Van Caligula zijn, behalve portretten op munten, een aantal borstbeelden bewaard gebleven; de voornaamste bevinden zich in Kopenhagen (Ny Carlsberg Glyptotheek), het Metropolitan Museum in New York en in het Louvre. |
|
Na de winter in Lyon te hebben doorgebracht met het terroriseren, vermoorden en afpersen van rijke Galliërs, trok hij in de lente van het jaar 39 naar de kust, liet de manschappen inschepen en een paar rondjes dicht onder de kust varen. Alles leek erop dat de keizer Brittannië wilde veroveren. Dit alles was in het verhaal van Suetonius tekenend voor de krankzinnigheid van de keizer: "Uiteindelijk, alsof hij de oorlog wilde afronden, zette hij een slagorde neer op het strand langs de kust, met ballista's (een toestel dat wel lijkt op een abnormaal grote kruisboog, waarmee een zware werpspies kan worden afgeschoten] en andere artillerie) Plots gaf
Caligula de soldaten opdracht hun helmen en zakken met schelpen te vullen en
riep hij triomfantelijk: "Ziehier de op de Oceaan veroverde buit." De schelpen-"schat"
voerde hij in de zomer in triomf naar Rome; en ook de schepen die bij
de invasie waren gebruikt, evenals "krijgsgevangenen" uit Germanië,
waarschijnlijk enkele toevallige voorbijgangers van de manoeuvres aan de
Rijn. rechts: Romeinse vuurtoren bij Dover |
|
![]() |
Er is echter ook nog een andere kandidaat: voor de Katwijkse kust, in de buurt van het castellum Praetorium Agrippinae (Valkenburg ZH), waar stenen ruïnes zijn aangetroffen die wij kennen als Brittenburg. In 1517 wordt voor het eerst melding gemaakt van de toren van Kalla (Caligula ?). links: het strand bij Katwijk waar de Rijn uitmond in zee |
![]() |
Het bestuur van het rijk, waarvoor Caligula
zich nauwelijks interesseerde, werd in het algemeen voortgezet volgens de
richtlijnen van Tiberius. Alleen stichtte Caligula ten behoeve van
persoonlijke relaties een reeks vazalkoninkrijken in het Oosten: Iudaea
met Julius Agrippa, Thracië, Pontus, Bosporus en Armenia minor met de
zonen van Cotys, Commagene met Antiochus IV.
De drukkende belastingen en het algemene gevoel van onveiligheid leidden tot voortdurende samenzweringen. De keizer was dan ook erg op z'n hoede en overal had hij spionnen en verklikkers. Degenen die van samenzwering beticht of zelfs maar verdacht werden, werden onmiddellijk terechtgesteld. In die tijd hadden ook de Christenen het zwaar te verduren. Zij werden zwaar vervolgd. Pas toen officieren der Praetorianen onder Cassius Chaerea, gesteund door de machtige vrijgelatene Callistus, ingrepen, was het lot van Caligula bezegeld. Op 24 januari 41 viel de tiran onder hun zwaarden. Caligula zet de urn met de as van zijn moeder in het familiegrafEustach de Sueur, 1647 |
|
laatst bijgewerkt: 10-02-04 |