|
3092 |
Macedonia, Moesia, Thracia en Dacia (148 v. Chr. - 100 n. Chr.) |
| Macedonia De Romeinse provincie Macedonia
werd gesticht in 146 v. Chr., nadat de Romeinse generaal Quintus Caeclilus
Metellus in 148 v. Chr. Andriscus van Macedonië had verslagen. Het
overwonnen gebied werd door de Romeinen verdeeld in vier republieken: Epirus
Vetus, Thessalië, Illyrië en Thracië. |
Moesia In 75 v. Chr. wist Rome de streken en noordwesten van Thracië te onderwerpen. C. Scribonius Curio, proconsul van Macedonia, stootte in dat jaar aan het hoofd van zijn troepen door tot aan de Donau en behaalde de overwinning over de zo geduchte Thraciërs (of de aan hen verwante stammen). Het gebied zelf werd echter pas circa 29 v. Chr. echt onderworpen door Marcus Licinius Crassus, die tijdens de regering van Augustus proconsul van Macedonië was. Toch liet de verdere organisatie als Romeinse provincie op zich wachten tot het einde van Augustus' leven. In 6 n. Chr. kwam er uiteindelijk echt een gouverneur, Caecina Severus. Het grondgebied van de nieuwe provincie Moesia kwam ruwweg overeen met het tegenwoordige Servië plus Bulgarije. Het is zeer waarschijnlijk dat de gouverneur van Moesia tevens de proconsul van Achaea (Zuid-Griekenland) en Macedonia was. |
![]() |
| Domitianus verdeelde rond 90 het langgerekte Moesië in twee delen: Moesia superior (ook wel Opper-Moesië genoemd) en Moesia inferior (Neder-Moesië), waarbij superior in het westen en inferior in het oosten lag. De scheidingslijn tussen oost en west lag op de rivier Cebrus of Ciabrus (de huidige Cibritza of Zibru), maar volgens sommige historici lag de grens in werkelijkheid verder naar het westen. De twee nieuwe provincies bleven elk geleid door een keizerlijk consulaat en een procurator. De splitsing kwam er waarschijnlijk om de organisatie van de verdediging te vergemakkelijken: Moesië had vele versterkingen op de zuidelijke oever van de Donau en zelfs een volledige muur (tussen Axiopolis en Tomi) als bescherming tegen de Scythen en de Sarmaten. (Bron: Moesië - Wikipedia) |
| Thracia
De zuidoostelijke delen van Thracië waren tot 46 v. Chr. een Romeins protectoraat , waar Odrysische koningen heersten en een zekere zelfstandigheid wist te bewaren. In 46 n. Chr. werd onder Claudius het omgevormd tot de provincia Thracia. Na de verovering door Claudius ontwikkelde Thracië zich voorspoedig, met name in de handelssteden als Ulpia Serdina (nu: hoofdstad Sofia), Trimontium (nu: Plovdiv) en Augusta Traiana (Stara Zagora). Op het platteland hadden de Romeinen het moeilijker door voortdurende aanvallen op hun troepen. In 476 viel het West-Romeinse rijk en begonnen de tot rond 1500 durende Middeleeuwen. Vanaf de 3e eeuw, de tijd van de grote volksverhuizingen, werd het gebied ten westen van de Zwarte Zee binnengevallen door de Hunnen en de Visigoten. Na deze volkeren trokken rond de 5e eeuw Slavische stammen de Donau over. Uiteindelijk ging de Thracische cultuur volledig op in de Slavische cultuur. De verstedelijking in dit gebied maakte een sterke ontwikkeling door. De meeste Thracische steden bezaten bijna alle gebruikelijke kenmerken van Romeinse steden wat betreft hun grootschalige architectuur en versiering met beelden. Ook de schilderkunst en het handwerk waren goed ontwikkeld, nog steeds sterk beïnvloed door de Hellenistische kunstopvattingen. De godsdienst van de veroveraars kreeg vooral in de stedelijke centra vaste voet. Op den duur werden de Thracische godheden alleen nog maar vereerd in de geïsoleerde en nagenoeg ontoegankelijke bergstreken. Alleen de oude begrafenisgebruiken bleven gehandhaafd. Tot het begin van de vroegchristelijke tijd bleven de Thraciërs grafheuvels oprichten. De meest karakteristieke overblijfselen uit deze tijd waren de in deze grafheuvels ontdekte Thracische wagens, bespannen met paarden, voorzien van een rijk tuig. Er bestond een diepe culturele kloof tussen de doorsnee Griek en de Romeinse man op de straat. De Romeinen konden wreed met hun Griekse bondgenoten omspringen, vooral als deze weerspannig waren. De Griekse steden waren dan wel onafhankelijk geworden, maar onder elkaar konden zij de vrede niet bewaren. De Grieken bleven voor Rome een bron van irritatie. De bom barste toen in 147 v. Chr. een Romeinse senaatsafvaardiging door het volk werd uitgejoeld en gemolesteerd. Romes geduld was duidelijk op. Het leger werd uit Macedonië ontboden en Corinthe werd belegerd en ingenomen. Op aanwijzing van de Romeinse regering maakte de Romeinse bevelhebber L. Mummius een voorbeeld van Corinthe, een van de meest beroemde steden van Griekenland. Het zegevierend Romeinse leger, zo word ons verteld, vermoordde ieder volwassen mannelijke burger die het binnen de stadsmuren aantrof, terwijl de vrouwen en kinderen als slaven werden verkocht. De stad zelf werd geplunderd en haar kostbare kunstwerken werden afgevoerd naar Rome. Dit alles gebeurde in hetzelfde jaar waarin Carthago met de grond gelijk werd gemaakt (146 v. Chr.). |
|
Dacia Sinds ongeveer 2000 v. Chr. werden het gebied ten noorden van Thracia (het huidige Roemenië) bewoond door een groot aantal Dacische en Getische stammen, die waarschijnlijk van Thracische afkomst waren (z. Lijst van Dacische stammen - Wikipedia). De Daciërs (Latijn: Daci, Grieks: Dákai) waren, net als de aan hen verwante Geten, een Indo-Europees volk. Ze spraken hun eigen taal: het Dacisch.Voor het werd van de Daciërs melding werd gemaakt in de Romeinse tijd. Zij woonden vooral in Transsylvanië en het westen van Walachije. De Geten woonden In Oost-Walachije en de Dobroedzja, het gebied gelegen tussen de benedenloop van de Donau en de Zwarte Zee. In Moldavië leefden de eveneens aan hen verwante Karpen (naar wie de Karpaten zijn vernoemd). |
![]() |
![]() |
Uit Griekse en Romeinse bronnen weten we dat er over dit gebied sinds de 5e eeuw v. Chr. Dacische koningen heersten. Van velen weten we slechts alleen de namen. Bekend is ook dat in de derde eeuw v. Chr. Moskon regeerde over de noordelijke delen van Dobroedzja. Waarschijnlijk was hij het hoofd van een lokale stammenunie, die dichte relaties met de lokale Griekse koloniën hadden en de Griekse stijl van beleid overnamen. De bewijzen van zijn bestaan zijn een aantal zilveren muntstukken die dichtbij Tulcea gevonden werden. De muntstukken beeldden een hoofd uit, van een jonge man met lang haar en een tiara op zijn hoofd. Op de achterkant stond een man op een paard en het opschrift Basileos Moskonos (Koning Moskon).
Op de zuidelijke Balkan organiseerden
± 56 - 54 v. Chr. de Daciërs een machtig militair en politiek
bondgenootschap onder leiding van Een dreigende oorlog tussen het rijk van Burebista en het Romeinse Rijk werd voorkomen doordat in 44 v. Chr. zowel Caesar als Burebista het slachtoffer werden van een moordaanslag.
|
| Na de dood van Burebista in 44 v. Chr. viel Dacië uiteen in 4 en later 5 kleine staatjes. Deze situatie bleef voortbestaan totdat Diurpaneus erin slaagde om de kern van Dacië nabij de stad Sarmizegetusa te verenigen en het Dacische leger te reorganiseren. De Griekse steden aan de Zwarte Zee accepteerden niet langer het gezag van de nieuwe Dacische machthebbers. |
|
Deceneu, regeerde over het gebied van het Orastie gebergte vanuit zijn residentie Kogaionon ("De Heilige Berg"). In Sarmizegetusa liet hij heiligdommen bouwen. Na hem regeerden Comosicus, Scorilo (die 40 jaar regeerde) en Duras (68 - 87). Dicomes, een familielid van Burebista regeerde over een koninkrijk tussen de Karpaten en de Dnestr. Over Dobruja regeerden Dapyx en Zyraxes en over Muntenia Roles en Cotiso. rechts: wat nog rest van Sarmizegetusa, de hoofdstad van de Daciërs lag op 1100 m hoogte in het Haţeg-gebergte, in de Transsylvanische Alpen. |
![]() |
|
In de winter van 85
/ 86 viel het leger
van de Dacische koning In het volgende jaar, 87, gaf Domitianus de prefect van de Praetoriaanse garde, Cornelius Fuscus, bevel tot een veldtocht tegen Dacië. Deze stak met vijf of zes legioenen de Donau over. Twee legioenen (samen met V Alaudae) liepen echter in een hinderlaag en werden nabij Tapae (nabij de moderne stad Bucova) verslagen, waarbij Fuscus werd gedood. Deze overwinning hadden de Daciërs te danken aan hun aanvoerder Diurpaneus, die van koning Duras de kroon kreeg aangeboden en de erenaam Decebalus (= Dacisch voor de dappere, machtige) kreeg.
In 88 werd het Romeinse offensief voortgezet. Het Romeinse leger, dit keer onder het commando van Tettius Iulianus, versloeg de Daciërs bij Tapae. Na deze slag sloten Domitianus en Decebalus vrede. Decebalus, detail uit de kolom van Trajanus |
![]() |
![]() |
Volgend op de vrede van 89 werd Decebalus een cliens (beschermeling) van Rome. Ze kregen geld, handwerklieden en oorlogstuig van het Romeinse rijk om de grenzen te verdedigen. Sommige historici zijn van mening dat dit een onvoordelige vrede was voor Rome, maar dat Dominiatus de vrede in dit gebied wilde bewaren om Germanië aan zich te onderwerpen. Decebalus greep deze vrede aan om weer een krachtig leger op te bouwen. Het Dacische volk zou toen ca. 2.000.000 zielen hebben geteld. In die tijd was het normaal dat 1/10 van de totale bevolking in het leger zou zitten; men kan dus stellen dat het Dacische leger een omvang moet hebben gehad van 200.000 man. Met deze getallen zou Dacië destijds het grootste inwonertal gehad hebben van Europa, op het Romeinse Rijk na. De voor Rome wat vernederende situatie zou duren totdat er in 98 in Rome een
nieuwe en krachtige keizer aan de macht aan de macht kwam: Links: Koninklijke helm |
|
laatst bijgewerkt: 10-05-07 |