3692

Oost-Europa (200 - 300 n. Chr.)

  Oost-Europa 100 - 200 n. Chr.

De Slavische volkeren, die zich vanaf omstreeks 150 n. Chr.  in verschillende richtingen te over Oost-Europa verspreiden, vestigden zich in delen van Polen, Wit-Rusland (Belarus) en de Oekraïne. Aan het begin van de 3e eeuw trokken de Goten vanuit hun gebied aan de Baltische kust naar het zuiden. 

Tijdens het bewind van Filippus Arabs (244-249) vierde Rome zijn 1000-jarig bestaan (247-248). Terwijl de feestelijkheden plaatsvonden, staken de Goten de Donau over. In 249 bezetten zij de stad Olbia aan de Zwarte Zee, waarna zij daar een eigen staat vestigden.  

Eén groep, de Ostrogoten (Ostrogothi), vestigde zich rond de Zee van Azov (ten noorden van de Zwarte Zee), vanwaar hun gebied zich naar het westen tot aan de Dnjepr (Oekraïne) uitstrekte. De andere, de Visigoten (Visigothi), namen bezit van de inmiddels opgeheven provincie Dacië (Zevenbergen in het tegenwoordige Roemenië). De prefect Decius maakte echter korte metten met hen. 

I

In 252 overschreden enorme horden Goten de Donaugrens over en brandschatten Thracië en Macedonië. Ze namende stad Philippolis (Plovdiv in Bulgarije) in en slachtten, naar men zei, 100.000 van haar inwoners af. Als zeerovers maakten de Goten de Zwarte Zee en Egeïsche Zee onveilig. Het probleem met de Goten was nu zo groot dat er voor keizer Trebonianus Gallus (251-253) niets anders op zat dan met hen overeen te komen hen een jaarlijks bedrag te betalen. 

Tijdens het bewind van keizer Publius Lucinus Valerianus (253-260) viel de Dacië in handen van de Goten.  Athene en Efese werden hadden te lijden onder troepen plunderaars.

In 262 drongen de Goten en andere Germaanse stammen, waaronder de Gepiden,  tot ver in Griekenland door. Vijf jaar later (267) verschenen zij opnieuw, overal dood en verderf verbreidend. 

In de nu volgende jaren kwam er een ware volksverhuizing van Germanen uit de Donaulanden het Romeinse gebied binnen. Meer dan 300.000 strijdbare mannen trokken met hun vrouwen en kinderen, huisraad en vee de rivier over. Daarop splitsten zij zich in twee groepen, waarvan de een naar Macedonië en Griekenland trok, en de andere, de grootste, door Moesia (het tegenwoordige Servië en Bulgarije). Het was niet meer alleen een plundertocht; een heel volk zocht nieuwe woonplaatsen. In 269 bracht keizer Claudius ll Gothicus (268-270) de langverbeide vrede voor de Donau-provincies door bij Naissus (het tegenwoordige Nisj in Servië) de Goten een verpletterende nederlaag toe te brengen. Het was een van de bloedigste slagen die door de Romeinen ooit werd geleverd. 50.000 Germanen sneuvelden. 
Ook ter zee werden de vijanden vrijwel vernietigd. Het zou lang duren voordat de Goten zich weer zouden hebben hersteld.  
De voortdurende moeilijkheden met de Germanen deden keizer Aurelianus (270-275) besluiten het met vreedzame middelen te proberen. Hij kwam de Goten tegemoet in hun behoefte aan nieuw vruchtbaar land voor hun snel groeiende bevolking en stond hun in 275 toe, zich in de provincie Dacië te vestigen. Het viel de Romeinen zeker niet gemakkelijk, de door Trajanus verworven gebieden op te offeren en de sterke bolwerken in de bergen van Zevenbergen te ontruimen. Maar nood brak wet. 

De eindeloze machtsstrijd tussen de Romeinse troonpretendenten was er de oorzaak van dat het meer dan dertig jaar had geduurd voordat de orde ook maar enigszins was hersteld. De Rijn-Donaugrens werd ten slotte weer hersteld en opnieuw versterkt, maar Europa zag er nu heel anders uit. De provincie Dacië was verdwenen; de Ostrogoten bewoonden nu Romeins gebied ten zuiden van de Donau; en de vruchtbare inspringende hoek tussen de Rijn en de Donau was het domeind van de Alemannen geworden. Er was weer eens een tijdelijke vrede tot stand gekomen, maar Rome moest wijken.

Oost-Europa (300 - 400 n. Chr.)

laatst bijgewerkt: 06-09-03

colofon