|
De Ampsivaren (Latijn: Ampsivarii) bewoonden het noordelijke stroomgebied van de Eems. De naam betekent vermoedelijk “bewoners bij (het gebied van) de Eems”. In zijn Annales, boek XIII, vertelt Tacitus dat de Ampsivarii kort voor of in 58 onder aanvoering van Boiocalus uit hun stamland werden verdreven door de Chauken. In zijn zoektocht naar een nieuw vestigingsgebied (rechts van de Rijn) had Boiocalus een ontmoeting met de opperbevelhebber van de Neder-Germaanse legioenen, Avitus. In een dramatisch verzoek richtte Boiocalus zich tot de Romein envertelde hij hoe hij persoonlijk het slachtoffer was geweest van de strijd van Arminius tegen de Romeinen (Bataafse opstand, 69-71 n. Chr.). Hij (Boiocalus) was op bevel van Arminius gevangen genomen). Verder memoreerde hij de jarenlange loyaliteit van de Ampsivarii aan de keizers Tiberius en Caligula. Ten slotte sprak hij zijn verbazing uit dat het door de Ampsivarii verlangde land niet bewoond was en daarom heel goed door hen in bezit genomen kon worden. Daarna leek Boiocalus in een soort gebed te verzinken waarin hij de zon en de hemellichamen opriep hem steun te verlenen. Avitus was onder de indruk van de toespraak maar weigerde Boiocalus zijn volk naar het bewuste land te leiden. Boiocalus reageerde verbitterd en organiseerde een coalitie tussen Ampsivarii, Bructeren en Tencteren voor een strijd tegen Avitus. Met de hulp van de commandant van de legers in Boven-Germanie, Curtilius Mancius, wist deze de Ampsivarii echter gemakkelijk te isoleren waardoor Boiocalus zich gedwongen zag verder terug te trekken in het gebied van Germania, waar ze echter als indringers werden gezien. De Ampsivarii worden voor het laatst vermeld in de Notitia Dignitatum uit het eerste kwart van de 5e eeuw. |