7112 De reis van Fa Hsien (ca. 340 - 428)
Fa-hsien  (ook geschreven als: Fa-hien. Pinyin: Faxian)  die ca. 340 geboren werd in Wuyang (provincie Shansi) kreeg bij zijn geboorte de naam Sehi mee. Pas veel later nam hij de geestelijke naam Fa-hsien ('Schoonheid van de religieuze wetten') aan.
Al op heel jonge leeftijd ging hij naar een boeddhistisch klooster om daar te worden opgeleid tot monnik.
Van zijn kindertijd is verder alleen bekend dat hij drie oudere broertjes had die allen jong stierven en dat zijn ouders overleden toen hij nog een tiener was.

Nadat hij op zijn twintigste tot monnik was gewijd, is hij op een onbekend tijdstip in een klooster in Chang'an (thans: Xi'an) terechtgekomen. Bij zijn werk daar werd hij zich bewust van het probleem dat kloosters in China niet over een goede 'vinaya' konden beschikken. 'Vinaya' zijn de door Boeddha vastgestelde gedragsregels voor monniken en nonnen. Door dit gebrek aan regels verzon iedereen z'n eigen regels voor discipline en dat wekte een slechte indruk bij de buitenwereld.
Op 59 jarige leeftijd (lente 399) besloot Fa-hsien naar India te gaan om daar in het oorsprongsgebied van het boeddhisme op zoek te gaan naar oorspronkelijke teksten. Met hem gingen vier andere monniken (Hui Ching, Hui Ying, Hui Wei en Tao Cheng) mee.
De reis (399 - 414)

Vanuit Chang'an trokken de vijf monniken langs de zijderoute naar het westen. In Chang-yeh voegden zich nog vijf monniken die ook naar India wilden, bij het gezelschap. In Dunhuang werden ze vriendelijk ontvangen door de gouverneur Li Sung. Misschien heeft Fa-hsien hier, tijdens zijn oponthoud dat meer dan een maand duurde, een bezoek gebracht aan de Mogao grotten. Het waren er in het jaar 400 nog maar een paar, maar ze waren wel al bekend als bedevaartsoord. Daarna trokken ze de Taklamakan woestijn in. Fa-hsien schrijft daarover in zijn reisverslag: In deze woestijn zijn talloze kwade geesten en verzengende winden en wie daarmee in aanraking komt verdwijnt spoorloos. In de lucht zijn geen vogels te zien en op de grond zijn er geen dieren. In welke richting en hoe ver je ook kijkt, nergens is er een routemarkering te zien. Alleen de gebleekte beenderen van dode mensen en dieren zijn een indicatie van de te volgen route.

Fa-hsien's reisroute: 1=Chang'an, 2=Chang-yeh, 3=Dunhuang, 4=Shan-shan,
5=Khotan, 6=Karghalik, 7=Pataliputra, 8=Tamralipti, 9=Nanjing,
A=Wuyang

Na 17 dagen bereikten ze pas de eerste oasestad in de buurt van het meer van Lop Nor. Daar verbleven ze enige tijd bij gastvrije boeddhistische monniken. Van daar trokken ze enkele weken lang steeds verder naar het westen van oase naar oase tot ze Khotan bereikten. Hier voegde zich nog een monnik bij het gezelschap. Ze waren nu met z'n elven. Na nog 25 dagen lopen bereikten ze Karghalik. Hier gebruikten ze 15 dagen om zich voor te bereiden op hun tocht over het Pamir gebergte.

Over het Pamir gebergte schrijft Fa-hsien: De Pamir is zowel in de zomer als in de winter met sneeuw bedekt. Er wonen giftige draken. Als iemand hun woede opwekt roepen ze giftige winden op, die sneeuw laten vallen of het zand, grind en stenen laat regenen. Van de mensen die met deze moeilijkheden te maken krijgen ontsnapt er hoogstens één op de duizend zonder verwondingen. De bewoners van de regio noemen de giftige draken 'sneeuw berg mensen'. De tocht over de Pamir kostte Hui Ching bijna het leven doordat hij ernstig last van zuurstofgebrek kreeg.

Nadat ze aan de andere kant van de Pamir waren aangeland waren hun moeilijkheden nog niet voorbij.
Aan de bovenloop van de Indus moesten ze in een honderden meters diepe kloof afdalen langs een steile wand met alleen de hulp van 700 ladders en in de rotsen uitgehakte voet- en handsteunen.
Tenslotte moesten ze nog via in de lucht hangende touwen naar de overkant van de kloof klauteren, terwijl onder hen een woeste rivier kolkte. Daarna waren ze eindelijk in India, het land van Boeddha.

Jaren reisde Fa-hsien door India terwijl hij overal met geleerde boeddhisten sprak, heilige plaatsen bezocht en religieuze geschriften en voorwerpen verzamelde. In de loop van de tijd werd zijn reisgezelschap, dat uit maximaal 16 personen had bestaan, steeds kleiner. Hui Ying werd ziek en stierf, Hui Ching kreeg tijdens een tocht over een hoge berg in Noord-India voor de tweede keer ademhalingsmoeilijkheden en stierf als gevolg daarvan, alle andere monniken behalve Tao Cheng verlieten op enig moment Fa-hsien om naar China terug te keren. Tenslotte kreeg Fa-hsien's laatste reisgenoot Tao Cheng in Pataliputra (thans: Patna in de provincie Bihar) problemen met een been en besloot niet terug te reizen en in India te blijven.

Alleen reisde Fa-hsien verder. Hij reisde langs de Ganges tot hij in de havenstad Tamralipti (thans: Calcutta) kwam. Daar bleef hij twee jaren, terwijl hij aan de vertaling van de door hem verzamelde teksten werkte. Toen stapte hij op een boot die hem naar Sri Lanka bracht. Ook daar bleef hij twee jaar en bestudeerde er geschriften. Hier kreeg hij o.a. een kopie van de Mahishasaka vinaya.

Toen besteedde hij al z'n geld aan passage op een schip dat hem naar China zou brengen. Het schip kreeg echter averij als gevolg van een storm en zette hem af op Java. Terwijl hij geen geld meer had vond hij toch een kapitein die bereid was om hem mee naar China te nemen als hij in ruil voor zijn passage gedurende de reis als tolk wilde optreden. Ook deze keer kwam hij in hevige stormen terecht. De andere passagiers (ca. 200 hindoe brahmanen) gaven Fa-hsien de schuld van de storm en wilden hem in zee gooien. Bemiddeling van de kapitein wist dit te voorkomen. Door de storm was het schip uit koers geraakt en ver ten noorden van hun oorspronkelijke bestemming aan land gekomen. Fa-hsien besloot daar van boord te gaan om vandaar te voet naar Chang'an terug te keren.

Na zijn terugkeer uit India werd hij opgezocht door een beroemd vertaler Hui Yuan, die hem verzocht naar Nanjing de hoofdstad van de Oostelijke-Chindynastie te komen, om daar samen met hem en een Indische monnik Buddhabadra te werken aan de vertaling van alle door hem meegebrachte sutra's en andere geschriften van het Sanskriet in het Chinees. Fa-hsien stemde hiermee in en heeft hier tot zijn dood, op 88 jarige leeftijd, aan gewerkt. De geschriften die hij meebracht en zijn reisverslag geven belangrijke informatie over het vroege boeddhisme en over de gebieden waar hij doorheen getrokken was.

Gemaakt: 04-08-05

colofon