5519b Veurne
Het gebied waar de huidige stad ligt, was vroeger een zoutwinningsgebied

De oudste vermelding van Veurne (877) luidt Furnis van het Oud-Germaanse Furnum (= nederzetting aan de waterloop Furo). Deze nederzetting lag op een eiland voor de Vlaamse kust. Kort vóór 891 werd hier door plaatselijke grondbezitters een versterkte omheining gebouwd tegen aanvallen van de Vikingen. Binnen deze omheining stonden een kapel, waarnaar in de 10de eeuw de relieken van de H. Walburga werden overgebracht, en de burcht van de burggraaf van de kasselrij Veurne.  

De heilige Walburga of Walburgis was de beschermheilige van Veurne en andere steden in de Lage Landen waaronder Antwerpen, Zutphen en Groningen. Walburga was de dochter van koning Richard van Wessex en werd geboren rond 710. Ze werd non en predikte vanaf 748 in Duitsland met onder meer Bonifatius en haar broers Willibald (broer van Bonifatius) en Winebald. Later werd ze abdis van Heidenheim in Beieren. Ze overleed in 779.

Rechts: Beeld van Walburga in de kerk van Konter (Luxemburg)

Bestand:WalbKont1.JPG
Na de 10de eeuw trok de zee zich terug; de monniken en de overheid konden land op de zee winnen, en Veurne werd verbonden met het vasteland. Er ontstond een tweede nederzetting, Butenburch = buiten de burcht, een van kooplieden, aan weerszijden van de Kolme (Colme), een waterloop in de Westhoek.

In 1060 werd voor het eerst van deze handelsnederzetting melding gemaakt. De nederzetting van schippers en handelaars, waar ook lakennijverheid werd bedreven, groeide zeer snel en in de 12de eeuw werd Veurne lid van de Vlaamse Hanze op Londen een groepering van Vlaamse steden, die handel dreven met Londen en kreeg de nederzetting stadsrechten. In het Stadspark bevindt zich nog steeds de mote (burchtwarande). De crisis in de Engels-Vlaamse betrekkingen omstreeks 1270 maakte een definitief einde aan de bloei van de stad. De crisis waarin Veurne verkeerde sleepte aan tot het einde van de 16de eeuw. De stedelingen hielden er de spotnaam van "Veurnse Slapers" aan over. Veurne bleef toen een administratief en religieus centrum, een plaats voor ledighgangers, renteniers uit U rijke agrarische sector.  

In de 14de eeuw werd de stad omwald. Uit deze periode dateert de gotische Sint-Walburgakerk, ontstaan uit de grafelijke O.-L.-Vrouwkapel en in de 10de eeuw verrijkt met relieken van St.-Walburga. De toren die ca. 1350 gebouwd werd, werd nooit voltooid. De basis ervan werd later gebruikt als kruitmagazijn en waterbak (citerne). 

De onvoltooide gotische kerk heeft een koor met Doornikse zuilen en een kooromgang met absiskapellen uit de 13de en 14de eeuw. De bouw van de toren werd gestaakt in 1350. Na een brand in 1353 werd het gotisch koor uit de 13de eeuw gerestaureerd. Het gewelf is 23 meter hoog en geeft een grootse indruk. De gotische kapelafsluiting in blauwe steen is van 1528. Het neogotische transept met aanzet tot een schip van 2 traveeën dateert uit 1904. 

De gotische Sint-Nicolaaskerk behoort tot het zuivere type van een Westvlaamse hallenkerk. Het westportaal, met afbeeldingen van de 12 apostelen, is 13de-eeuws, evenals de toren, met klokkenverdieping en beiaard van 48 klokken, waaronder de zeer oude klok 't Bomtje. De kerk behoorde vroeger aan de norbertijnen. Er bevinden zich een drieluik  van J. van Amstel en een Aanbidding der Wijzen; het kruis van de sodaliteit is Antwerps werk; voorts is er Brugs edelsmeedwerk. De toren dateert herbergt de stadsbeiaard (47 klokken) met het "Bomtje", een klok uit 1379. Het schip van de gelijknamige kerk dateert van ca. 1500. De kerk bezit een triptiek van Bernard van Orley (1526).

In de 15de en 16de eeuw werd de streek geteisterd door tal van oorlogen. Zo gingen heel wat kunstwerken in kloosters en kerken verloren door de vernielingen van beeldenstormers en gereformeerden. Nochtans heeft men in de 15de eeuw nog de bouw van het Spaans Paviljoen aangevat. De hoektoren, het donjongedeelte, werd gebouwd ca. 1450 als stadhuis van Veurne. De vleugel in de Ooststraat werd aangebouwd ca. 1530. Later werd het gebouw het hoofdkwartier van de Spaanse officieren in de 17de eeuw, vandaar de naam.

In 1586 werden de twee besturen, die tot dan toe te Veurne bestonden, dat van de Stad en dat van de Kasselrij, verenigd. Samen met de regering van Albrecht en Isabella (1598-1621) bracht dit een periode van grote bloei en welvaart voor de stad en de streek. Uit deze tijd dateren heel wat historische gebouwen.  

In de 16de eeuw was de stad vervallen en een woonplaats van renteniers, ‘ledighgangers’ genoemd, uit de rijke agrarische omgeving. Tijdens de Beeldenstorm en de opstand tegen Spanje had de stad veel te lijden. In 1586 werden de besturen van de kasselrij en van de stad tot één bestuur verenigd, wat een nieuwe bloei tot gevolg had, die tot uiting komt in de architectuur van de Grote Markt en in de rijkdom van de kerken. In 1640 kwam de Nieuwe Vaart of het Kanaal Nieuwpoort–Duinkerke gereed, waarvoor deels gebruik werd gemaakt van de bestaande grachten. In de periode tussen de Vrede van Aken (1668) en de Vrede van Utrecht (1713) was Veurne Frans bezit. De Franse vestingen en de resten van de middeleeuwse muren werden onder Jozef II gesloopt. Tijdens de Slag om de IJzer, in okt. 1914, had koning Albert zijn hoofdkwartier in het Veurnse stadhuis en de legerleiding besprak er met Karel Cogge, opzichter van de Noordwatering te Veurne, de onderwaterzetting van de IJzervlakte. Tijdens de beide wereldoorlogen werd Veurne zwaar getroffen, maar daarna telkens fraai gerestaureerd. In de Eerste Wereldoorlog lag de stad vlak achter de vuurlinie en in 1940 leverden de Engelsen er verwoede achterhoedegevechten.
De huidige gemeente Veurne ontstond in 1977 door samenvoeging van de toen opgeheven gelijknamige gemeente (waaraan in 1971 Avekapelle, Booitshoeke, Bulskamp, Eggewaartskapelle, Steenkerke en Zoutenaaie waren toegevoegd; 9501 inw.) met Beauvoorde en Houtem. Daarna werd het één der best versterkte plaatsen in het graafschap Vlaanderen.

Op de Grote Markt van Veurne staan de belangrijkste burgerlijke gebouwen. Het stadhuis bestaat uit twee gelijke gebouwen in de typische gele baksteen van Veurne, met een blauwe stenen pui en twee topgevels in krulvorm met daarachter een torentje. Het interieur is zeer rijk, o.rn. renaissanceschoorsteen.
Het gerechtshof is het voormalige Landhuis van de kasselrij, opgetrokken in blauwe steen van Arquennes. Fraai interieur. Het belfort is een laatgotisch vierkant bouwwerk met achtkantig middenstuk en barokke spits. Het staat achter het gerechtshof. De Hoge Wacht is het voormalig verblijf van de nachtwakers.
Het Spaans paviljoen, oorspronkelijk stadhuis, vertoont twee bouwfasen: een zware middeleeuwse en een lichtere vleugel, thans vredegerecht. Daar tegenover staat het Vleeshuis, een fraai voorbeeld van laat-renaissancearchitectuur.
De Grote Markt van Veurne is een van de fraaiste en best bewaarde marktpleinen van België. Opvallend is de eenheid van bouwstijl: Vlaamse renaissance uit de late 16de en begin 17de eeuw. Aan de westzijde staat het uit twee huizen bestaande stadhuis (1596 en 1612), van lokale gele baksteen, met een blauwe stenen pui door F. Aerts en J. Stalpaert, twee topgevels in krulvorm en een torentje met peervormige spits. 

Aan de noordzijde: het Gerechtshof (1612–1622; door S. Boulin), voormalig landhuis van de kasselrij Veurne Ambacht, met op het gelijkvloers gotische resten van een ouder gebouw. Achter het Gerechtshof staat het laat-gotische belfort met vierkante onderbouw, achthoekig middenstuk en barokke spits uit 1628. Aan de oostzijde bevindt zich het gotische Spaans Paviljoen, het oorspronkelijke stadhuis, met een zware middeleeuwse vleugel uit ca. 1450 en een lichtere uit 1528–1530. Eveneens aan de oostzijde staat de Oude Vleeshalle (1615), met zgn. tabernakelvenster, dat men ook terugvindt in talrijke andere gevels op de Grote Markt. Aan de zuidzijde: de Hoge Wacht (1636) met fraaie boogpartijen en de benedenverdieping.

Voorts bevindt zich in de stad een groot aantal woonhuizen in renaissance-, barok- en classicistische stijl. De onvoltooide vroeg-gotische St.-Walburgakerk heeft een koor met Doornikse zuilen en kapitelen (ca. 1250 begonnen) en omgang met absiskapellen uit de 13de en 14de eeuw; het neogotische transept met schip van twee traveeën (1904) vervangt de oude romaanse kruiskerk (in 1901–1904 gesloopt); de bouw van de toren (1350) werd gestaakt toen de kerk door een hevige brand werd geteisterd; de ruïne van de toren in het Stadspark is gerestaureerd en geeft een goed beeld van de grootse opzet van deze kapittelkerk. Het meubilair is hoofdzakelijk 18de-eeuws, o.a. een predikstoel (1727) van H. Pulinckx de Oude, twee rococobiechtstoelen en -koorlezenaar. Het zeer mooie koorgestoelte (1596), van O. van Ommeren, is in renaissancestijl. De gotische kapelafsluiting van blauwse steen (1528) werd ontworpen door W. Aerts. De kerk bezit een 16de-eeuws altaarkruis, alsmede een reliekhouder van het H. Kruis (16de eeuw).
De gotische St.-Niklaaskerk (1494–1498) is een goed voorbeeld van een West-Vlaamse hallenkerk. Het westportaal met voorstelling van de 24 ouderlingen is 13de-eeuws, evenals de toren, met klokkenverdieping uit de 14de eeuw. Het koor dateert uit 1773. Vermeldenswaard in het interieur zijn het drieluik (1534) van J. van Amstel en een Aanbidding der Wijzen; voorts bezit de kerk Brugs edelsmeedwerk in renaissancestijl (begin 17de eeuw), een goudlaken koorkap (1755) en een beiaard van 49 klokken (1961), waaronder ‘'t Bomtje’ (1379; door Willem van Harelbeke), een van de oudste klokken in Vlaanderen. De St.-Niklaaskerk bezat eertijds een torenspits, die echter in 1845 bouwvallig werd verklaard en in 1866 werd afgebroken. De stad heeft een twintigtal kunstgalerijen en -ateliers.

In de noordwestelijke hoek van de Grote Markt treffen we een fraai renaissancecomplex: het landhuis, met zijn conciërgerie en belforttoren. Na de Belgische onafhankelijkheid werd de conciërgerie stadhuis. Dit sierlijke gebouw met zijn Vlaamse Renaissance-gevels bestaat uit twee delen (1596 en 1612). Een mooie pui vormt een prachtig geheel met dit complex. De zalen van het Stadhuis zijn bekleed met Mechels goudleder, en bevatten merkwaardige schilderijen, zoals portretten van de Aartshertogen Albrecht en Isabella , een "Laatste Oordeel", en een unieke collectie bronzen gerechtigheidsvoorwerpen uit de 16de eeuw. Het landhuis zelf dateert uit 1612-1623, en diende als zetel van het kasselrijbestuur. Later werd het gerechtsgebouw (tot 1982). In de Stenen Zaal op de eerste verdieping vinden we een prachtige schouw. In de vroegere zittingszaal vallen vooral de oude eiken muurbekleding, alsook de eiken meubels op. In de voormalige kapel hangen twee werken van Paul Delvaux.

Het landhuis wordt bekroond door een zwierige toren in gotische stijl met een barokke bekroning: het belfort (1628). Deze pas gerestaureerde toren behoort samen met de andere Belgische belforten tot het werelderfgoed van de Unesco.

De Hoge Wacht is eveneens een gebouw in Renaissancestijl, in 1636 opgetrokken als herberg. Later werd het gekocht door de stadsmagistraat en als wachthuis ingericht. De rijhuizen met trapgevels aan de noordkant van de Grote Markt en de Oude Vleeshalle dateren eveneens uit die tijd, net zoals ettelijke andere huizen her en der in Veurne, en het kasteel Beauvoorde dat in Wulveringem werd opgetrokken door Antoon de Bryarde. Op het einde van de 19de eeuw werd het waterkasteel grondig gerestaureerd door Arthur Merghelynck. Hij schonk het bij testament aan de Belgische Staat, die het ter beschikking van de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde moest stellen. Thans wordt het beheer verzorgd door de Stichting Vlaams Erfgoed.

De laatgotische Onze-Lieve-Vrouwkerk te Wulveringem, tegenover het kasteel, heeft slechts twee beuken. Ze werd in de 15de-16de eeuw aangebouwd tegen een Romaanse kruiskerk, waarvan nog sporen merkbaar zijn. De kerk heeft een dakruitertoren en is zeer rijk gemeubeld.

De Onze-Lieve-Vrouwkerk te Houtem is een gotische hallenkerk uit de 15de-17de eeuw met een zware westertoren en heeft nog restanten van de oudere romaanse kerk. Ze staat mooi ingekaderd in het kerkhof, vlakbij de pastorie in Vlaamse Renaissance.

Wenzel Cobergher was een veelzijdig man; oudheidkundige, econoom, scheikundige, numismaat, architect, schilder, ... Hij organiseerde de Bergen van Barmhartigheid, die goedkope leningen verstrekten. In 1604 werd hij hofarchitect van de aartshertogen Albrecht en Isabella. Zijn meest impressionante verwezenlijking was de drooglegging van De Moeren, een uitgestrekt moerassig gebied, nu voor 1/3 in België en voor 2/3 in Frankrijk, dat hij voor het eerst in vruchtbare poldergrond wist om te zetten.

De Boetprocessie van Veurne is een overblijfsel van de grote openbare boetedoeningen en kruiswegen die door de Contrareformatie in de 17de eeuw werden georganiseerd onder Spaanse invloed. In 1626 ontstond op initiatief van Jacobus Clou, een norbertijn van de St.-Niklaasabdij te Veurne, een openbare kruisweg, die in de Goede Week door de stad trok. Clou vroeg tevens aan de stad een openbare boetprocessie te organiseren. Zelf richtte hij met enkele anderen in 1637 de ‘Sodaliteit van de Gekruisten Zaligmaker ende van Maria zijne bedruckte Moeder staande by hem onder het Cruce op den Berghe van Calvarien’ op. In 1644 nam de Sodaliteit deel aan een grootse processie gehouden tot bestrijding van pest en oorlog. Vanaf 1646 organiseerde de vereniging zelf haar boetprocessie, die sedertdien, behalve onder Jozef II, de Franse Revolutie en in de beide wereldoorlogen, jaarlijks plaatsvindt op de laatste zondag van juli. De Boetprocessie bestaat thans, benevens uit anonieme boetelingen, uit een optocht van een veertigtal groepen (in totaal 400 personen) die gebeurtenissen uit het Oude en Nieuwe Testament, in het bijzonder het passieverhaal, uitbeelden.
Op het einde van de 17de-eeuwse bloeiperiode van Veurne richtte Jacob Clou, een norbertijn uit de Veurnse Sint-Niklaasabdij, in 1637 de eerste Boetprocessie in. Met zijn Sodaliteit organiseerde hij toen al een tijdlang de Vastenkruisweg. De expansieoorlogen van Lodewijk XIV van Frankrijk en de Spaanse successieoorlogen brachten in de tweede helft van de 17de eeuw weer verwoestingen en lijden.

Vauban legde versterkingen aan, die door keizer Jozef II in 1783 werden ontmanteld.

De stad kon herademen onder Maria-Theresia van Oostenrijk en Karel van Lorreinen. Herinneringen aan deze periode vormen talrijke classicistische gebouwen, zoals het St.-Janshospitaal of het vroegere arrondissementscommissariaat. Onder Jozef II, die op 10 juni 1781 in Veurne overnachtte, werden de beschouwende kloosters en geestelijke broederschappen afgeschaft, waardoor de Sodaliteit in moeilijkheden raakte en de Boetprocessie niet kon uitgaan. Pas in 1790, onder keizer Leopold II, werd dat weer mogelijk.

Toen kwam de Franse Revolutie en de stad werd door verschillende invallen geteisterd. De resterende kloosters werden afgeschaft. Ternauwernood kon de verkoop van de St.-Walburgakerk met zijn 13de-eeuws koor verhinderd worden, doordat de bevolking op de valreep genoeg geld kon inzamelen om zelf haar kerk te kopen.

Na de Slag van Waterloo en de vereniging met Nederland (1815) kende Veurne een tijd van rust.

Op 17 juli 1831 mocht Veurne als eerste Belgische stad de toekomstige vorst, Koning Leopold I, verwelkomen.

Gemaakt: 21-08-09

colofon