|
5379 |
Graafschap Holland (1121-1157) - Dirk Vl |
Dirk Vl (1121-1157), Dirk Vl, de opvolger van Floris
ll,
aanvaardde de grafelijke titel in 1122 onder voogdij van zijn moeder gravin Petronilla
(Petronella) van Saksen. Zij was de dochter van Diederic
II, hertog van Opper-Lotharingen (gest. 1115), en Hedwig van
Formbach (ca. 1056-1085/90). Petronella regeerde door met krachtige hand en nam in 1123 deel aan de
opstand van haar halfbroer Lotharius van
Supplinburg tegen keizer In 1125 werd Ook met de binnenlandse politiek van het graafschap hield zij zich intensief bezig: een hoogst opmerkelijke zaak omdat haar oudste zoon al ruim meerderjarig was. Zij deed dat bovendien ‘met krachtige hand’, melden de Egmondse annalen. Bij alle belangrijke gebeurtenissen uit de periode 1121-1133 zien we gravin Petronilla handelend optreden. Zo zorgde zij er in 1124 voor dat haar kapelaan Ascellinus tot abt van de abdij van Egmond werd benoemd. Zij deed dat op instigatie van enkele machtige Kennemer edelen die zich tegelijkertijd als bewindvoerders van de abdij lieten aanstellen. Overigens moest Ascellinus al in 1129 aftreden wegens zijn zwakke beleid. Toen gravin Petronilla en de bisschop van Utrecht in het volgende jaar het klooster bezochten schrokken zij van de toestand die ze aantroffen. De bouw van de nieuwe abdijkerk was gestagneerd en de geestelijke en materiële schade was enorm. De rol van de gravin in deze affaire is opvallend: de bisschop overlegde met haar over de keuze van een nieuwe abt en gezamenlijk zonden zij een gezantschap naar Gent. Er werd een krachtige opvolger gevonden in de persoon van Wouter, die op 7 september 1130 door de Utrechtse bisschop werd gewijd. Onder hem brak een nieuwe bloeiperiode voor Egmond aan. In de jaren tussen 1129 en 1132 speelde gravin Petronilla ook een rol
in de conflicten tussen twee van haar zoons, graaf Dirk VI en zijn jongere
broer Floris ‘de Zwarte’. De laatste wordt in de Egmondse annalen
beschreven als intelligent, ambitieus en charmant. Tweemaal kwam Floris in
opstand tegen zijn oudere broer. Bij de eerste opstand werd hij gesteund
door Petronilla, die in de bestuurlijke kwaliteiten van haar zoon Floris meer vertrouwen dan in die
van haar zoon Dir, de bisschop van Utrecht en de Rooms-Koning, zijn oom Maar in 1131 werd het conflict kennelijk bijgelegd, want in een oorkonde van Lotharius van maart dat jaar worden Dirk en Floris respectievelijk de ‘graaf van Holland en zijn broer’ genoemd. Kennelijk kon Floris zich toch niet bij de nieuwe situatie neerleggen, want al in augustus 1131 kwam hij opnieuw in opstand. Ditmaal steunde zijn moeder hem niet en moest hij uitwijken naar het gebied van de opstandige West-Friezen, waar hij een jaar bleef. Opnieuw werd door bemiddeling van de Rooms-Koning vrede gesloten. Floris de Zwarte verlegde zijn ambities naar Utrecht, waar hij Heilwive van Rode – een rijke erfdochter en familie van de bisschop van Utrecht – wilde trouwen. Een oude familietwist leidde echter tot een zo hoog opgelopen conflict dat hij tijdens een jachtpartij in het najaar van 1133 werd vermoord. Gravin Petronilla stichtte in haar religieuze ijver in het begin van de jaren dertig een nieuw klooster op het grafelijk grondgebied in Rijnsburg. Op 15 september 1133 werd de abdijkerk gewijd door de Utrechtse bisschop. Aan dit klooster schonk zij al haar bezittingen in Rijnsburg en goederen in Delft, Leiden, Noordwijk en Aalsmeer. De nonnen liet zij uit het in Oost-Saksen gelegen klooster Stötterlingenburg komen. Het klooster was kort daarvoor hervormd vanuit het gedachtegoed van Cluny en stond bekend om de goede geest die er heerste. Kort na de wijding van de abdijkerk van Rijnsburg werd haar geliefde zoon Floris de Zwarte er bijgezet. Van de gravin vernemen we nadien weinig meer. In 1140 droeg haar zoon Dirk in Rome mede namens zijn moeder de abdijen van Egmond en Rijnsburg met al hun goederen in eigendom en bescherming over aan de Heilige Stoel. Mogelijk heeft Petronilla zich na de dood van haar zoon teruggetrokken in de schaduw van haar nieuwe stichting te Rijnsburg, waar zij na haar dood op 23 mei 1144 haar laatste rustplaats vond. De abdij bleef daarna nauw met het grafelijk Huis van Holland verbonden en in de grote Romaanse abdijkerk werden talrijke leden van het grafelijk Huis bijgezet. Door deze positie kon de abdij zich geleidelijk ontwikkelen tot een regionaal grootgrondbezitter, met vele eigendommen in Rijnsburg, Katwijk-Valkenburg en Oegstgeest. |
| Tijdens het beleg van Leiden werd de
abdij door brand verwoest. De geuzen wilden voorkomen dat de Spaanse
belegeraars de abdij zouden gebruiken. Eerder waren de abdis en de nonnen
al waren gevlucht. De Ridderschap van Holland nam het beheer van de
goederen van de abdij over en kende nog tot 1620 prebenden toe aan
voormalige bewoonsters van de instelling, die zich in Leiden hadden
gevestigd. De Rijnsburgse Toren is alles wat nog rest van de Romaanse abdijkerk.
Rechts: Ruïne van de abdij in Rijnsburg, overblijfsel van de noordelijke gevel van het grote huis en de traptoren. gravure van H.Spilman 1730 |
![]() |
![]() |
Dirk Vl slaagde erin het Rijnland onder zijn bestuur te brengen (± 1130). In het Rijnland liet hij op de plaats van de oude burcht een stenen burcht bouwen, van waaruit de graven van Holland voortaan hun gebied zouden besturen. Het kasteel stond op een kunstmatige heuvel (motte). Binnenin een in het rond gebouwde muur stond een stevige toren (donjon) waarin verschillende opslagplaatsen en woonvertrekken. De grafelijke burcht bestaat nog steeds en ligt in de stad Leiden. Hij ligt nu midden in de stad Leiden. Bij Rijnsburg stichtte Dirks moeder Petronella in 1033 een klooster. |
| In maart 1131 is Dirk Vl echter, na een kennelijke verzoening met zijn
broer, echter weer graaf van Holland. Maar in augustus van datzelfde jaar koos
Floris wederom partij tegen zijn broer Dirk. De tegen Dirk in opstand gekomen
West-Friezen boden Floris de Zwarte de heerschappij over geheel West-Friesland
en ook de Kennemers schaarden zich achter hen. De broedertwist werd in
augustus 1132 door tussenkomst van de Rooms-Koning |
| Toen de Duitse keizer in 1137 overleed, konden de broers
echter terugkeren. Zij wilden hun verwoeste burcht herbouwen, maar nu niet
te Cuijk maar op een lage zandheuvel even verder stroomafwaarts op
de linker Maasoever. Dit gebied had men namelijk niet in
leen maar in eigendom. Rond 1140 vond de herbouw plaats en al spoedig
ontstond rond de herbouwde burcht een nieuwe nederzetting, die
Grave ging heten en later zou uitgroeien tot vestingstad en hoofdstad van
"den Lande van Cuyck".
rechts: kasteel van Grave |
|
|
Dirk Vl was in 1125 in het huwelijk getreden met Sophia van Rheineck die uit het Saksische geslacht Van Nordheim stamde. Uit dit huwelijk werden negen kinderen geboren. In
1138 ondernam Dirk een
pelgrimstocht naar het Heilige Land,
vermoedelijk vergezeld van zijn vrouw Sophia, want tijdens de tocht werd namelijk
hun zoon Peregrinus (Pelgrim) geboren. Tijdens de terugreis bezocht Dirk Vl in
1140 de paus in Rome. Daarbij droeg Dirk het tot nieuwe bloei gekomen klooster
Egmond en het door zijn moeder Petronilla in 1033 gestichte klooster te
Rijnsburg aan de paus op. Met deze daad onttrok hij deze kerkelijke goederen
aan het gezag van de Utrechtse bisschop. Toen in 1150 de Utrechtse bisschop Dirks vrouw Sophia overleefde haar echtgenoot bijna twintig jaar. Tijdens een reis naar het Heilige Land overleed zij in Jeruzalem in 1176.
laatst bijgewerkt: 26-07-02 |