| 5415 | Begijnhof (Amsterdam) |
|
| Vanaf ongeveer 1150 begonnen vrouwen een vorm van religieus leven buiten alle kloosterverband om. Zij deden veel aan ziekenzorg. Men kan zeggen dat dit de eerste Begijnen waren, hoewel de naam Begijn pas later ontstond. Begijnen waren dan ook geen nonnen! Zij woonden niet in de beslotenheid van een klooster. Zij hadden geen ordestichters en geen eeuwige kloostergeloften. Wel moesten zij ongehuwd zijn, een gelofte van kuisheid afleggen en waren ze gehoorzaamheid verschuldigd aan de pastoor. Ook hadden zij geen gelofte van armoede afgelegd en dus konden zij de beschikking houden over hun eigen bezit. Ze konden hun geloften op ieder moment opzeggen en het Begijnhof verlaten, bijvoorbeeld om in het huwelijk te treden. |
![]() |
![]() |
De stichtingsdatum van het Begijnhof te Amsterdam staat niet vast. De eerste maal dat er iets genoemd wordt is in 1307 in de Baljuw-rekeningen van Amstelland waarin melding gemaakt wordt van Begijnen. In 1346 wordt in een document gesproken van een Beghynhuys; een Begijnhuis dat op 31 juli 1346 op Sint Petrus avond door Coppe van der Lane aan de Begijnen werd afgestaan. Op 7 augustus 1393 bekrachtigt Albrecht van Beyeren de statuten van het Hof middels een brief. Hierin neemt hij de Begijnen in bescherming en beveelt een aantal regels waar zij, die op het Hof wonen, zich aan dienen te houden. Hij bepaalt ook dat men pas als Begijn kan worden ontvangen als men minstens 18 maanden op het Hof woont. |
| Tot het jaar 1417 strekte het Begijnhof zich niet verder zuidwaarts uit dan tot de tegenwoordige Begijnensteeg. Tot aan het Spui was alles moeras, door de Begijnen tot een vaste bodem gemaakt door het inwerpen van puin en vuilnis, aangevuld met zand.dat zij de huizen tot aan het water konden uitbouwen. In 1417 werd het Hof uitgebreid met een strook langs het Spui en werden er vele huisjes bijgebouwd. In het Stedelijk Groot Memoriaal wordt het Begijnhof in een akte, gedateerd 15 april 1417, genoemd en kregen de Begijnen 'jonkvrouwen' een groot stuk grond ten zuiden van het Hof erbij: van het oude Begijnhof af tot aan de brug bij de Rozenboomsteeg en van de brug bij de Rozenboomsteeg tot aan de Nieuwezijds Voorburgwal. | ![]() |
![]() |
De stad had zich verplicht de grote ruimte van het tegenwoordige Spui voor eeuwig onbebouwd te laten. Deze akte van 1417 is tot heden, mede door adequaat optreden in vroeger jaren van de Begijnen en hun vertegenwoordigers, nagenoeg stipt nageleefd.In 1421 en 1452 werd een groot deel van het Hof met de kapel verwoest bij de grote stadsbranden. De Begijnen zaten niet bij de pakken neer en kerk en Hof werden opnieuw opgebouwd, maar nu werden vele huizen van steen opgetrokken.
In 1511 werd het Begijnhof vergroot met een strook langs de tegenwoordige Nieuwezijds Voorburgwal, die in die dagen nog niet gedempt en veel breder was. Beginhofkapel Reeds in 1397 beschikten de Begijnen over een kleine, aan Maria gewijde kapel. Na de vergroting van de Hof, werd op 17 oktober 1419 een nieuwe kapel, met daarin een begraafplaats, opgedragen aan de Heilige Maagd Maria, Joannes de Evangelist en de apostel Mattheus, plechtig geconsacreerd door Matthias, titulair bisschop van Biduane (een stadje aan de Adriatische Zee), in zijn hoedanigheid van vicaris-generaal van bisschop Frederik III van Utrecht. Tijdens de stadsbranden op 23 april 1421 en op 25 mei 1452 liep de kerk veel schade op. Na het herstel werd de kapel gewijd aan Maria, St. Ursula en Joannes. De Begijnen werden in de kerk begraven, iets wat in die tijd heel gebruikelijk was. Maar er is één bekende uitzondering; meesteres Cornelia Arents. |
| Tot 1578 was Amsterdam een overwegend rooms-katholieke stad, met twee grote parochiekerken, zes kapellen en vele kloosters. De verering van het Sacrament van het Mirakel bracht jaarlijks een levendige jaarmarkt met zich mee, waarbij duizenden pelgrims naar de stad kwamen en voor een bloeiende economie zorgden. In Amsterdam verzetten de protestantse hervormers zich vooral tegen de 'afgoderij' van de Hostie en de 'roomse opvatting' van de Heilige Mis. De prinsgezinde calvinisten wonnen het tenslotte en op 26 mei 1578 deed de alteratie het tij keren. In een onbloedige revolutie namen de protestanten de macht in Amsterdam van de katholieken over en werden de katholieke magistraten afgezet. Bovendien werd het de katholieken verboden om openlijk hun geloof te belijden, hetgeen zoveel betekende dat alle eigendommen van de katholieke kerken en kloosters door de overheid in beslag werden genomen. | ![]() |
|
De ijver van de predikanten om ieder huis dat voor 'Paepsche afgoderij' gebruikt werd, te melden bij de overheid, was groot. Maar de overheid maakte in beperkte mate gebruik van geweld en strengheid. Ook de Begijnen moesten hun kerk op hun Hof afstaan. Deze kerk werd aan de Engelsen gegeven en heet sindsdien de ‘Engelse Kerk’. Maar de katholieken richtten 'huiskerken' op om toch hun geloof te kunnen belijden. De naam 'schuilkerken' ontstond pas in de 19e eeuw. Nadat de Begijnen hun kerk moesten afstaan, kerkten ze in de sacristie van de kerk. Nadat ook deze sacristie ontnomen werd, kerkten zij afwisselend in een der huisjes op het Hof. De eerste initiatieven voor de bouw van de huidige kapel werden al in 1665 genomen door samenvoeging van twee huizen, daartoe aangekocht op initiatief van pastoor van der Mye (1665-1700). Zijn neefje legde de eerste steen op 2 juli 1671. Het stadsbestuur keurde de plannen voor de bouw goed op voorwaarde dat van buitenaf niet te zien was dat er een kerk stond.Het gebouw is ontworpen door de Amsterdamse katholieke bouwmeester Philips Vingboons (1607-1678). Deze kapel op het Begijnhof werd opgedragen aan Joannes de Evangelist en St Ursula. In haar huidige vorm heeft de kapel een tweedelige galerij, die op zes houten kolommen rust. De voorgevel met spitsboog-vensters en glas-in-lood ramen dateert pas uit de 19e eeuw. Ten tijde van de opening van de huidige kapel in 1682 woonden er 150 Begijnen en 12 weduwen en alleenstaande vrouwen op het Hof. In de eeuwen erna vonden vele bouwkundige ingrepen plaats op het Hof. In de 17e en 18e eeuw werden gevels van huizen vervangen, maar achttien huizen hebben nog een gotisch houtskelet. Ook werden huizen afgebroken en opnieuw gebouwd. Bij de restauratie van het Begijnhof (1984-1987) werd het Hof gerenoveerd en werden woningen vergroot. Ook de bewoonsters veranderden. Op 23 mei 1971 overleed de laatste Begijn, zuster Antonia in de leeftijd van 84 jaar. Dus sindsdien is het Hof geen ‘Begijnhof’ meer in de letterlijke zin van het woord.et poortgebouw naar het Spui (1907) en de pastorie (1915). Gemaakt: 27-03-05 |