|
2704 |
Longobardische Rijk (600 - 774) |
![]() |
Vanaf omstreeks 600 ging het
Lombardische volk geleidelijk over tot het Christendom. Tijdens het bewind van |
|
Hij werd krankzinnig verklaard en vluchtte naar Byzantium. Daar werd hij later vermoord.
Hij trouwde met de weduwe van Ariovald, Gundeperga. Evenals zijn voorgangers perkte hij de macht van de Longobardische hertogen in en richtte hij zijn pijlen vervolgens op het Byzantijnse Rijk. Hij zette de verovering van Italië voort. Hij veroverde Liguria en verwoestte Ravenna. Tegelijkertijd werden de laatste bezittingen van het Byzantijnse Rijk in Zuid Italië )waaronder ook Sicilië) aangevallen. De veroverde gebieden werden niet verdeeld onder zijn hertogen maar vielen rechtstreeks onder de kroon. De energieke Rothari werd Katholiek en toen de Longobarden zich begonnen te bekeren tot het Rooms-Katholicisme verdween het beletsel voor Romeinen en Longobarden om met elkaar om te gaan en konden zij ook met elkaar trouwen. Geleidelijk namen de Longobarden veel van de taal en cultuur van de Romeinen over en versmolten de twee bevolkingsgroepen. De Longobarden zijn echter nog lang als volk te onderscheiden geweest en hebben duidelijke sporen achtergelaten. Kort voor zijn dood in 652 sloot Rothari een wapenstilstand met Byzantium. |
|
Rodoald, de zoon van Een machtshoogtepunt werd bereikt onder koning Van de strijd tussen de twee zonen van koning Aripert l (653-661) maakte hij gebruik om zich van de troon meester te maken. Met succes streed hij tegen de Franken, Byzantijnen, Avaren en Slaven. Na zijn dood ontstond er een strijd om de troonopvolging.
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
![]() |
Italië was rond 700 ongeveer gelijkelijk verdeeld tussen Longobarden en Byzantijnen. De Byzantijnen behielden onder meer het gebied rond Ravenna (het exarchaat - dat o.a. ook Ferrara, Bologna en Ancona omvatte), Napels, Sicilië en delen van Calabrië en Apulië. Rome en Latium werden door de paus beschouwd als grondgebied van de Heilige Stoel, het zgn. Patrimonium Petri (ofwel erfgoed van Petrus), maar waren officieel ook Byzantijns. Dat laatste hield niet in dat de paus zich veel van de Byzantijnse keizer (de basileus) aantrok. Toen de Byzantijnse keizer de verering van beelden en afbeeldingen verbood (iconoclasme), verzette de paus zich rechtstreeks door de beeldenverering te blijven toestaan (731). Een gevolg daarvan was dat veel Byzantijnse monniken (basiliani, monikken van de Heilige Basilius) uitweken naar Italië. Zij vestigden zich langs de Ionische kust en in de rivierdalen van Zuid-Italië. Hun invloed op het economisch herstel in de volgende eeuwen was zeer groot. Zij ontgonnen land, bevordereden het herstel van de landbouw en produceerden voedingsmiddelen. |
|
Een ander gevolg van het verzet van de paus tegen het iconoclasme, en daarmee tegen de Byzantijnse keizer, was dat hij de Byzantijnse steun in zijn strijd tegen de Longobarden verspeelde. Omdat de paus zonder hulp van buitenaf de Longobarden niet aankon, zag hij zich genoodzaakt toenadering te zoeken tot de tot de Franken. Die vochten op dat moment met alle macht om de Arabische opmars in Europa te stoppen en hadden toen voor de paus geen tijd. In 732 lukte het Karel Martel echter het Arabische leger te verslaan en was dat gevaar geweken. |
|
![]() |
Vanwege de voortdurende dreiging van de Longobarden drongen de bewoners van de lagunes bij de Po er bij Byzantium op aan dat de militaire tribunen die tot dan toe over de lagune waakten, zouden worden vervangen door een doge met meer bevoegdheden. Met succes: in 697 werd Paolucio Anafesto tot eerste doge gekozen. Het bleef echter onrustig, want Venetië was het mikpunt van allerlei invallen. De doge trok zich terug in Rive Alto, in het meer beschermde deel van de lagune. Met de verplaatsing van de militaire bestuurszetel naar een van de eilanden van het toekomstige Venetië begon het proces waarbij deze verzameling kleine eilandjes opklom tot een zowel stedelijke eenheid als een grootmacht in het Middellandse-Zeegebied. De Longobarden waren zeer bedreven in de edelsmeedkunst. Van hen zijn o.a. zee fraaie kruisen bewaard, die de christenen ten teken van hun geloof, droegen en die pas in de 8e eeuw als siervoorwerpen werden gezien. Verder vervaardigden de Longobarden metalen sieraden, zoals fibulae. |
| Koning Ratchis besloot monnik te worden. |
|
![]() |
In 751 veroverde zijn opvolger, Links: Lombardisch steenreliëf van het altaar van Hertog Ratchis in Cividale. Het relief stelt voor de aanbidding der wijzen en dateert uit ca. 740. |
|
Met het
zegen van de paus mocht Pippijn de Korte,
de zoon van Karel Martel, de
laatste Merovingische koning De paus was door de stichting van de Kerkelijke Staat ook een belangrijk wereldlijk leider geworden. Maar wat nog belangrijker was: het pausdom werd verbonden met de Frankische koningen en hun opvolgers (de Franse koningen en Duitse keizers); een verbintenis die zou blijven bestaan tot het jaar 1870. De machts- en gezagsverhoudingen tussen de partijen werden echter niet duidelijk geregeld en dat zou de volgende eeuwen dikwijls tot spanningen leiden. Voorlopig was de relatie tussen paus en koning echter opperbest. Beide partijen deden dan ook precies wat zij van elkaar verwachtten, of zelfs nog meer. De koning wierp zich op als beschermer van de paus en de paus legitimeerde de macht van de koning en bestendigde diens imago.
Met Desiderius werd opgesloten in een Frankisch klooster en het land van de Longobarden werd een vazalstaat van het Frankische rijk. Hierna kroonde Karel zich met de ijzeren Lombardische kroon te Pavia en noemde zich "koning der Franken en Longobarden". Hij vergrootte het pauselijke territorium met delen van Toscane en Spoleto, bevestigde de schenking van zijn vader Pippijn Sindsdien bezocht Karel Italië nog verschillende malen om daar de toestanden te regelen en op te treden tegen misbruiken in staat en kerk. laatst bijgewerkt: 20-06-04 |