Zeker is dat het een aantrekkelijk gebied moet zijn geweest voor
woestijnreizigers
langs de Zijderoute,
want door z'n lage ligging (diepste punt 154 meter beneden de zeespiegel) was hier altijd water te vinden.
Tegelijkertijd had dit tot gevolg dat het gebied vele malen te lijden heeft gehad van veroveringstochten door uit het
noorden afkomstige nomaden en daarna weer heroveringen door legers van de Chinese keizers.
Turpan ligt in het Turpanbekken,
dat 50.000 vierkante kilometer groot is, of bijna tweemaal ons land. De
stad telt 20.000 bewoners, onder wie 12.000 Uygur en 3.000 Han-Chinezen.
Zij ligt bij het zoutmeer van Aydingkol, dat zich 154 meter onder
de zeespiegel bevindt en dat na de Dode Zee het tweede laagste punt op
aarde is. Turpan is een oase op de Zijderoute, op 200 kilometer ten zuiden
van Ürümqi.
De oases in het bekken zijn omgeven door steen- en gruiswoestijnen. In dit
gebied heersen extreme klimatologische omstandigheden. In de zomer is het
er dikwijls warmer dan 40 graden (ooit beleefde men hier zelfs een
snikhete 49,6 graden!). Windstormen kunnen bijzonder lelijk doen en dan
ziet men geen hand meer voor de ogen. Tijdens de winter kan het hard
vriezen. Deze klimaatextremen in Turpan en de droge lucht waren ideaal om
oude kunstvoorwerpen en documenten goed te bewaren.
De nederzettingen in de oases worden al tweeduizend jaar in leven gehouden
door een bijzonder irrigatiesysteem. Aan de voet van de Tianshan
keten wordt het bronwater opgevangen. Van daar loopt het ondergronds naar
de oasen en velden. Dit systeem heet karez of foggara. Een
andere waterbron vormt de Murtuq rivier. De oase van Turpan is
10.300 vierkante kilometer groot, één derde van België.
Zij was al bevolkt tijdens de eerste eeuw voor onze tijdrekening en bleef
in de geschiedenis een centrum waar culturen uit Iran, India en China
elkaar troffen. In 52 voor onze jaartelling namen de handelaars van de
Zijderoute hier al rust. Dijk, kanaal en dam zijn de bestanddelen van de
karez. Zij vormen een ondergronds irrigatiesysteem dat niet minder dan
2000 jaar oud is. Elk kanaal meet drie tot dertig meter. In de provincie
zijn er 1.600 stuks, waarvan 1.000 in Kashgar. De kanaaltjes verbinden de
waterputten en irrigeren de hele omgeving over een lengte van drieduizend
kilometer.
Landbouw is het belangrijkste
bestaansmiddel van de bevolking. Van hier komen honingmeloenen en de
pitloze wijndruiven, die vooral gedroogd worden tot rozijnen. Het drogen
gebeurt in lemen gebouwen met luchtgaten. Dank zij een ondergronds
kanalennet (de karez) waarmee gesmolten
sneeuw van de dichtbij gelegen Tian-bergen naar de laagvlakte wordt
getransporteerd kunnen er hier in de woestijn druiven en meloenen
groeien. Tot het eind van de 8e eeuw behoorde het tot het rijk van
de Chinese Rijk.