5589 Antwerpen

Opgravingen hebben aangetoond dat er zeker al in het Gallo-Romeinse tijdperk (2de en 3de eeuw) bewoning was aan de Scheldebocht. De Schelde was toen een kleine verwilderde rivier van slechts enkele tientallen meter breed en liep toen nog niet in haar huidige bedding, maar volgde de ring rond Antwerpen. De voornaamste nederzetting was destijds de versterking “Thurnini” (Deurne) gelegen aan de oude Scheldebedding in de monding van de Schijnen, op een stuifzandheuvel die half was gelegen in het water. 

In Deurne en onmiddellijke omgeving zijn sporen van voorhistorische bewoning aangetroffen, maar door het uitblijven van een systematisch bodemonderzoek is onze kennis hierover zeer miniem. Dit laatste geldt ook voor de IJzertijd en de Romeinse periode. Wat deze laatste betreft zijn er overblijfselen aangetroffen in Antwerpen, Mortsel en Kontich. Ook in Deurne werden er gevonden, maar jammer genoeg zijn deze verloren gegaan. We vermoeden dat de Romeinse bezetting hier niet langer duurde dan tot de 3e eeuw van onze jaartelling.

Over de periode van de Frankische nederzetting waaruit Deurne is ontstaan zijn we eveneens weinig ingelicht. We veronderstellen dat zich hier een kleine boerengemeenschap vestigde, die waarschijnlijk gedurende een zeer lange tijd verstoken bleef van elke beďnvloeding. Wel heeft men willen bewijzen dat Deurne onder de benaming "Thurnini" zou vermeld staan in een schenkingsakte van ca. 693, doch dit is nooit hard gemaakt. De versterking "Thurnini" (Deurne) lag toen aan de Schelde in de monding van de Schijnen, op een stuifzandheuvel of terp. Deze was half gelegen in het water. De streek van Deurne bestaat nog altijd uit verschillende stuifzandheuvels. De hoogste heuvels zijn de Stuivenberg, Het Kiel, Deurne en Merksem. Bedoelde oorkonde is ons enkel bekend door een kopie van veel latere datum waarin niet "Turnine" of "Thurnini", maar wel "Tumme" wordt vermeld.

Omstreeks 650 verplaatste de Rupel zich naar haar huidige bedding en liep niet langer meer langs Deurne. De monniken van de benedictijnenorde in Deurne zochten naar een nieuwe locatie aan de huidige rivieroever en ze ontdekten die ter hoogte van het huidige Steenplein. 

Het was een heuvel, half gelegen in het water, ideaal voor het aanleggen van schepen. Daar bouwden ze een nieuwe vooruitgeschoven nederzetting die ze de naam “Anda Verous ” gaven en bouwden er een "aanlegplaats en werf". 

Het gebied rond Antwerpen bestaat nog altijd uit verschillende stuifzandheuvels. De hoogste heuvels zijn de Stuivenberg, het Kiel, Deurne en Merksem. Minder hoge heuvels zijn de Kattenberg (nu Borgerhout), het Zand en de Zuidberg. Op de Zuidberg werd vermoedelijk rond de 3de eeuw Kroonenburg gebouwd. Deze burcht moest in de 12de eeuw plaats maken voor de Sint-Michielsabdij. Nog kleinere heuvels langs de Schelde zijn de Guldenberg, de Koraalberg,de Bloedberg, de visberg en de voornaamste heuvel kreeg geen naam. 

Op deze heuvel stichtte in 660 de H. Amandus, bisschop van Tongeren en Maestricht, de eerste kapel die werd  opgedragen aan de H. Petrus en de H. Paulus. Deze heuvel lag toen nog op de linkeroever en later werd op deze heuvel de Antwerpse burcht gebouwd.

De streek rond Antwerpen kreeg de naam: het Land van Ryen, gelegen tussen het land van Waas, het land van Saaftingen en het land van Brabant.

Eind jaren 600 vond de Schelde een nieuwe doorgang tussen de zandheuvels en vervolgde haar weg in de huidige scheldebedding. De Benedictijnen van Deurne ontdekten een gelijkaardige locatie aan de huidige Scheldeoever en bouwden daar in de 8ste eeuw een nieuwe vooruitgeschoven nederzetting die ze de naam "ANDA VERPUS" gaven. Door dialectvorming evolueerde deze naam naar Antverpia, Antverp, dan Antwerp tot de naam "Antwerpen". 

Deze nieuwe vooruitgeschoven nederzetting was ook gelegen op een zandheuvel die half in het water stak en waar destijds de kapel van de H. Amandus werd op gebouwd. Deze kapel werd in 726 overgedragen aan Willebrordus, de bisschop van Utrecht.

 

In de 8ste eeuw werd de Eyendijk aangelegd door de Benedictijnen  van Deurne ( EY = water. Dus waterdijk ). Deze wandeldijk verbond Deurne door de moerassen met hun nieuwe nederzetting aan de Schelde (Nu de Carnotstraat en de Herentalsebaan). Ter hoogte van de grote markt was een splitsing die zuidwaarts liep, hoog bovenop de zandheuvels langs de Schelde (Hoogstraat) richting kroonenburg en verder naar het Kiel.

Aan de hand van enkele schaarse gegevens weten wij alleen dat rond 836 de streek grondig werd verwoest door de Noormannen. Het is niet zeker dat zij met hun schuiten de Schijn konden bevaren. Bijna zeker van wel, want de Schijnen waren toen veel breder, dieper en met hun drakkar-platbodems konden ze bijna in ondiep water varen. De nederzettingen  Antverpia en Deurne werden verwoest waarna de Noormannen op dezelfde plaats een nieuwe nederzetting bouwden. Het werd een typisch cirkelvormige nederzetting met een aarden omwalling. Twee straten vormden een kruis van Noord naar Zuid (De Mattestraat) en van West naar Oost (De Zakstraat).

Door het verdrag van Verdun (843) werd het Frankische rijk van Karel de Grote in drie delen verdeeld. Het Westfrankenrijk werd Frankrijk. Het Oostfrankenrijk werd het Duitse rijk. Middenfrankenrijk bestond uit Lotharingen, het land van Ryen, Boergondië en Italië.

In 923 werd Lotharingen bij het Duitse rijk gevoegd. Het land van Ryen behoorde vermoedelijk niet tot Lotharingen en werd pas in 927 ingepalmd door het Duitse rijk. De Schelde diende ten noorden nu als nieuwe grens tussen Frankrijk gelegen op de linkeroever en het Duitse rijk op de rechteroever.

De twisten tussen Frankrijk en het Duitse rijk laaiden hoog op en hun gemeenschappelijke vijand, de Noormannen, werden hun bondgenoten. Frankrijk gaf een stuk land weg aan de Noormannen dat Normandië werd genoemd. Keizer Otto I sloot met de Noormannen een verdrag af in Antwerpen. 

De Noorse nederzetting te Antwerpen werd verbouwd tot een machtige burcht. De houten omwalling werd vervangen door een stenen muur. De bewaking van deze burcht werd overgedragen aan de Noormannen. Daarom plaatsen zij boven de toegangpoort van de nieuwe burcht hun Noorse afgod. Helaas kennen we de naam niet van deze afgod. In de 16de eeuw gaven de Antwerpenaren het beeldje de naam "Semini".

Keizer Otto I mag men terecht de stamvader van de Stad Antwerpen noemen. Zonder deze burcht had hier nooit een stad ontstaan.

Rond deze burcht groeide vrij snel de bevolking. Deze eerste stadskern, de ruienstad genoemd, was een gebied van 20 Hectare. Met enkele zijriviertjes van de Schijn maakten men een beschermende watersingel rond de stad.

 

De ruienstad werd niet voorzien van een aarden omwalling met poorten, maar wel van vier ophaalbruggen: de Koepoortbrug in het Noorden( Ook Peerdsbrugge genoemd), de Wijngaardbrug in het Oosten en in het Zuiden de Reinoldbrug aan de Melkmarkt ook Melkbrug genoemd en de Broodbrug aan de Hoogstraat beter bekend al de ijzerenbrug. Uiteraard volstaan deze watersingel niet als bescherming tegen een grote legermacht. Ze dienden eerst en vooral om rovers en veedieven buiten te houden. De watersingel is vandaag nog steeds terug te vinden op een plattegrond van Antwerpen. Hij volgt de verdwenen Boterrui,de Suikerrui, de Kaasrui, de Jezuďtenrui, de Minderbroedersrui, de Sint-Paulusstraaten de Holenvliet ( is nu de Koolvliet). Deze Ruienstad bleef ongewijzigd tot omstreeks 1200.

Gemaakt: 25-03-05

colofon