|
8153 |
Voedsel in de 17e en 18e eeuw |
| Wat "men" at, is moeilijk te zeggen. Het hing ervan af hoe rijk men was. Armen voedden zich veel met knolrapen, uien, slecht brood en dun bier. Wie rijk was at tarwebrood, wie minder rijk was roggebrood. Een algemeen geliefd gerecht was hutspot. Het was wel wat anders dan wat wij nu hutspot noemen, al was het alleen maar omdat er geen aardappels in zaten; die at men toen namelijk nog niet. Tijdens het eten zaten alleen vader en moeder aan tafel. De kinderen stonden eromheen, ieder op zijn eigen plaats. Vader en de jongens hielden onder het eten hun hoed op. | ![]() |
|
In de 17e eeuw at men gewoonlijk met de vingers. Lepels waren er wel, maar ze dienden alleen voor soep en pap. Vorken waren er helemaal niet, die kwamen pas omstreeks 1700 in gebruik, maar ook daarna bleven ze een luxe. Met de lepel waarmee je at, schepte je ook steeds op uit de schalen. Wie erg netjes was, veegde zijn lepel eerst af aan het tafellaken (als dat er was). Volgens een recept uit de 17e eeuw maakte men hutspot van schapenvlees of fijn gehakt rundvlees, groene groente, pastinaak of pruimen. Het werd begoten met citroensap of sinaasappelsap, in sterke azijn geweekt, goed vermengd en lang gekookt met vet en gember. De meeste moeders kookten en bakten maar eenmaal in de week. Dan bleven er zes kliekjesdagen over. Om een uur of drie at men een tussenmaaltijd en in de avond het avondmaal. Vaak at men dan een kliekje van de middagpot of een bord koolsoep, broodpap (melk met verkruimeld oud brood), gebraden rapen of uien met stuk brood. Rijke mensen aten vlees van de os of het varken, wildbraad of gevogelte, waaronder ook zwanen en reigers, opgediend met bijvoorbeeld pruimen- of krentensaus. Daarbij dronken ze een glas bier of wijn. Als toetje at men vaak rijsterbrij, pannenkoeken, bollen of wafels. Men was ook dol op taarten. Fruit vonden veel mensen ongezond. Het gezin at meestal in de strove, een klein vertrek naast de keuken. Daar stond het tresoir of de schapraai. Dat was een kastje, waarin de lepels, messen, borden en schalen bewaard werden, samen met de kliekjes van het middagmaal. Vaak werd er gekookt in een open schouw, maar men bouwde soms ook al een gesloten stookplaats van bakstenen en tegels. Deze "kachel" hield de warmte beter en langer vast dan een schouw. Het kostte daardoor minder hout en turf om het eten gaar te krijgen. De boeren verbouwden in de 17e eeuw meer groenten dan in de middeleeuwen. verschillende tuinbouwgebieden die nu bekend zin, zoals West-Friesland en het Westland, ontstonden in die tijd. Daar teelde men de "nieuwe" groenten, zoals snijbonen, spruitjes en andijvie. Ook lagen er boomgaarden met appel- en perenbomen. De kostbare tarwe van de bouwboeren ging vaak naar Holland, waar de bakkers er witbrood voor het rijke stadsvolk van bakten. Het roggebrood was voor de kleine handwerksman en voor de boer zelf. |
| Vanaf omstreeks 1570 raakte de uit Zuid-Amerika afkomstige aardappel in Europa bekend. De aardappel is na de ontdekking van Amerika, door Columbus, vanuit Zuid-Amerika (Peru) (in 2005 bewezen op basis van DNA) naar Europa gebracht door Spaanse ontdekkingsreizigers. De Inca's verbouwden de plant echter al honderden jaren. De aardappelplant groeide ook op grote hoogten in het Andesgebergte. Daar waar andere planten niet meer konden groeien. Het waren de monniken die ervoor zorgden dat de aardappel vanuit Spanje zijn weg vond naar de andere Europese landen. Zij pootten de plant in hun kloostertuinen. | ![]() |
|
De boeren wilden aanvankelijk niets van de plant weten. Omdat de stengels en bessen giftig zijn, dachten ze dat de knollen ook ongezond zouden zijn. Langzamerhand kreeg de aardappel toch steeds meer de rol van volksvoedsel en in de 17e eeuw werd de aardappel in alle Europese landen verbouwd. Door het hoge gehalte van vitamine C, werd de knol ook gebruikt bij het bestrijden van scheurbuik.
Vanuit Spanje kwam deze knol naar Italië, waar hij eerst verscheen op de tafel van de Heilige Vader en een doodzieke kardinaal. De knollen golden immers als voedsel dat de levenslust, en trouwens ook andere lusten, opwekte. De beide prelaten genoten van deze knollen als waren het een soort truffels. Ze bekwamen het hun wel. Toch meenden de hogere standen blijkbaar dat echte truffels beter smaakten. laatst bijgewerkt: 30-07-09 |