|
121 |
Parazoa (Sponsachtigen) - Sponzen (Porifera) (stam) |
| Sponzen (Porifera) werden tot het midden van de 19e eeuw) door hun vastzittende levenswijze en hun vaak fraaie kleuren vroeger gerekend tot het Plantenrijk en later gezien een stam binnen het Dierenrijk. Ze vielen immers onder de definitie van dieren: het zijn meercellige organismen die geen fotosynthese hebben en holozoïsch zijn, dat wil zeggen dat ze in staat zijn partikels of brokjes voedsel op te nemen (de drie hoofdvoorwaarden die dieren onderscheiden van planten, schimmels en micro-organismen. | ![]() |
|
Tegenwoordig
worden de Sponzen gerekend tot het (onder)rijk der Parazoa
(Sponsachtigen), binnen het domein
der Eukaryoten. Men beschouwt ze als geen echte meercellige
dieren, omdat ze
geen echte weefsels noch organen bezitten en ook de embryologische
ontwikkeling afwijkend is. Bovendien bezitten ze kraagcellen, een celtype
dat bij de Metazoa
(Meercelligen) niet voorkomt. Vandaar dat men voor de
Sponzen dit aparte onderrijk heeft gecreëerd die tussen de Protozoa
(eukaryotische levensvormen waarbij alle
levensfuncties zijn verenigd in één cel en zich
niet door fotosynthese
voeden) en Metazoa (Meercelligen) in staat.
De Parazoa vormen een groep waarvan geen andere diergroepen
zijn af te leiden en zij vormen zo een doodlopende tak aan de stamboom.
Sponzen behoren tot de oudst bekende dierlijke fossielen. De oudste fossielen van Parazoa dateren uit het eind van het Laat-Cambrium. Van deze prehistorische sponzen zijn zo’n 900 soorten bekend. De ca. 5000 thans levende sponzensoorten worden onderverdeeld in drie orden: Hexactinellida (Glassponzen), Demospongia, en Calcarea . Uit de sponzen hebben zich geen nieuwe diersoorten ontwikkeld. |
| Voorheen
werden de
Parazoa nog
als stam van het Dierenrijk
beschouwd, maar tegenwoordig worden ze gezien als zelfstandig rijk binnen
het domein der Eukaryoten.
Zij bestaan al wel
uit gespecialiseerde celsoorten, maar de cellen kunnen zo nodig nog tot andere
werkzaamheden overgaan. De cellen zijn hier nog niet tot echte weefsels en
organen samengevoegd. Sponzen worden al heel lang beschouwd als de oudste dieren, omdat ze zo primitief zijn: geen voor- of achterkant, geen spijsverteringskanaal, laat staan hersenen. Volwassen dieren pompen zeewater door de holten in hun lichaam om daar zo voedsel aan te onttrekken. Toch hebben de huidige sponzen zeer gespecialiseerde cellen. Stamcellen zorgen voor sperma en eieren, 'huidcellen' zorgen voor een beschermende buitenlaag, enz. Al deze cellen moeten samenwerken, waarvoor een vorm van communicatie nodig is. De sponzen gebruiken, net als meer complexe dieren, bepaalde moleculen om zulke boodschappen over te brengen. Onderzoek van de spons Reniera wijst uit dat de embryo's van dat geslacht al tenminste 11 gespecialiseerde celtypen hebben, die in een speciaal patroon liggen gerangschikt. Die cellen moeten tijdens de ontwikkeling van het embryo 'verhuizen', en dat gebeurt waarschijnlijk onder invloed van chemische stoffen die niet overal in even grote concentratie voorkomen; de veranderingen in concentratie wijzen de cellen als het ware de weg. Uit een andere spons, Suberites domunculata, is inmiddels een stof geïsoleerd die zo'n rol lijkt te vervullen en die ook de celdifferentiatie in zowel embryo's als volwassen exemplaren van deze soort lijkt te bepalen (of op z'n minst beïnvloeden). Ook blijkt dat bepaalde bouwstenen van genetisch materiaal, dat medebepalend is voor hun vorm, in alle dieren voorkomt. Dat wijst erop dat ook de eerste dieren al zulk materiaal bevatten, dus dat ze daarmee over een soort - nog steeds gebruikt - bouwplan beschikten. De choanoflagellaten lijken sterk op bepaalde sponscellen, maar bevatten ook veel van het 'gereedschap' dat nodig is om meercellige organismen te vormen. De Choanoflagellata worden dan ook beschouwd als de directe voorouders van de (meercellige) sponzen. Dit komt door het feit dat deze choanoflaggellata de eerste organismen waren die kolonies vormden. Dit lijkt erop te wijzen dat al vroeg in de geschiedenis van het leven eencellige organismen zulk gereedschap kunnen hebben bezeten. Waarom vormden ze dan 'pas' 600 miljoen jaar geleden meercellige levensvormen? Dat zou, volgens deskundigen, weleens kunnen komen omdat niet het genetisch materiaal daarvoor doorslaggevend was, maar het leefmilieu. Een van de hypotheses daaromtrent is dat er voldoende zuurstof in de atmosfeer moest zijn. De oorzaak van die zuurstoftoename tot de noodzakelijke 'drempelwaarde', zo'n 600 miljoen jaar geleden, is overigens nog een punt van discussie. Kennislink - Het eerste dier op aarde Uit de Parazoa moeten de Radiata en de Bilaterata voortgekomen zijn. Ongeveer 540 miljoen jaar geleden bestonden alle 36 tegenwoordige levende stammen. Parazoa en Metazoa zijn waarschijnlijk onafhankelijk van elkaar uit verschillende Protozoa-typen ontstaan. Sponzen bestaan al wel uit gespecialiseerde celsoorten, maar de cellen kunnen zo nodig nog tot andere werkzaamheden overgaan. De cellen zijn hier nog niet tot echte weefsels en organen samengevoegd. De Parazoa werden tot voor kort nog tot het Dierenrijk gerekend. Tegenwoordig worden ze geizen als zelfstandig rijk binnen het domein der Eukaryoten. De Parazoa ontstonden aan het eind van het Sturdian (ca. 800 - 600 miljoen jaar geleden) uit de kolonievormende Protozoa (eencellige Protisten) |
|
Sponzen zijn primitieve dieren die in
zout of zoet water leven en het grootste deel van hun leven vastzitten aan
de ondergrond. Het zijn filteraars: door een netwerk van kanaaltjes met
meestal één grote uitstroomopening houden zij een waterstroom in stand
waaruit zij hun voedsel oppikken. Gespecialiseerde kraagcellen in de wand
van grotere of kleinere kamertjes hebben een krans van flagellen met in
het midden een grote lange zweephaar. Deze flagellen zijn kleverig en
vangen bacteriën en andere voedseldeeltjes in. ook verzorgen zij de
gaswisseling. Ze hebben geen zenuwstelsel en bezitten maar een beperkt
aantal gespecialiseerde cellen.Spicula, kleine naaldjes van kiezel, dienen
de spons tot skelet. Elke soort heeft zijn eigen specifieke vormen:
veelpuntige sterren, pijlvormige haakjes, spiraaltjes, etc. Exemplaren van
één soort zien er soms uit als platte koeken en dan weer als lange
buizen. Om die reden zijn sponzen vaak moeilijk te determineren. Het
fragiele huidje met de kenmerkende spicula is meestal verloren gegaan.
Behalve de vorm, kunnen ook de kleur en de leefwijze sterk variëren. Miljoenen jaren van evolutie hebben de sponzen enorm divers gemaakt. er bestaan zelfs een vleesetende spons, Asbestopluma hypogea, die net als de Zonnedauw (vleesetende plant) met zijn plakkerige buitenkant een prooi, meestal kleine kreeftachtigen, invangt en deze vervolgens uitwendig verteert. Tientallen van dit vreemde slag spons werden gevonden in een donkere onderzeese grot voor de Franse zuidkust. De spons mist de kraagcellen en is dus ook geen echt filterdier. De
spons Neofibularia nolitangere in het Caribische gebied heeft een perfect
gevoel voor timing. je kunt de klok erop gelijkzetten: drie dagen na de
equinox - als zon en maan in één lijn staan, en als er gevolg daarvan
een maximaal getij optreedt - precies om 2 uur 's middags, vindt er een
uitbarsting plaats van de sponzenvoortplanting. Het is verbazingwekkend:
de zee wordt dan verduisterd door gegantische wolken sperma. Het is niet
bekend hoe de sponzen weten wanneer het hun tijd is. |
|
Sponzen
zijn de eenvoudigste meercellige dieren. Eigenlijk is een spons een soort
samenwerkingsverband of "joint venture" tussen een beperkt aantal
gespecialiseerde eencelligen die niet meer zonder elkaar kunnen. Een spons wordt
ondersteund door een skelet dat is opgebouwd uit sponsnaalden van kiezel, kalk
of een hoornachtige stof (zoals bij de "badkamersponzen"). Omdat
sponzen heel variabel van vorm zijn (ook binnen een soort is er een grote
variatie) zijn ze ongeschikt als gidsfossielen. In het Maastrichtse Krijt kunnen
de losse vierpuntige "naaldjes" van Propagastella gevonden worden maar
daar heb je wel een microscoop voor nodig: ze zijn maar één millimeter groot.
Groter, tot zo'n 5 cm zijn de boorsponzen Cliona.
Deze sponzen boren blaasvormige holten in objecten op de bodem. Vanuit
die holten staan ze met "schoorstenen" in verbinding met het open
water. Sponzen
voeden zich op een eigen voor dieren unieke wijze. Zij bezitten geen
mondopening, maar bezitten kleine openingen aan de buitenzijde van hun lichaam
waardoor zij water naar binnen kunnen laten stromen. Cellen in de buitenwand van
hun lichaam filteren dit water. Via grotere openingen stroomt het water weer
naar buiten. De lichaamscellen van een spons vervullen verschillende
lichaamsfuncties en functioneren meer dan de lichaamscellen van andere dieren
onafhankelijk van elkaar. De
Demospongia vormen veruit de grootste groep. Meer dan 90 procent van alle thans
levende sponzen behoren er toe. Deze verhouding geldt echter niet voor de
gevonden fossielen. Hiervan behoort minder dan de helft tot deze orde. Doch dit
zegt echter weinig, daar de meeste Demespongia geen skelet bezitten dat als
fossiele rest zou kunnen zijn achtergebleven. De grootste verscheidenheid aan
sponsfossielen dateert uit het Krijt. Maar om dezelfde bovengenoemde reden zou
de verscheidenheid aan soorten wel eens net zo groot of groter kunnen zijn
geweest. De
Demospongia worden aangetroffen in zeer verschillende leefomgevingen. Zij komen
zowel voor in ondiepe zeegebieden met zeewater als in diepzeegebieden met koud
zeewater. artikel. Grote schoonmaak: bioloog Rob van Soest schept orde in het sponzenrijk; NRC 22 juni 2003) laatst bijgewerkt: 27-01-07 |